Jean, Thomas en Baulduin Balhan en hun steenkolenmijnen

Ons geslacht Balhan heeft met name in de 17e eeuw, maar ook tot ver in de 18e eeuw een niet onbelangrijk aandeel gehad in enkele mijncoöperaties en heeft zodoende een voorname rol gespeeld in het mijnwerkersleven in de omgeving van Fléron.

Exploitaties van steenkolenmijnen ten oosten van Beyne (Be)
Exploitaties van steenkolenmijnen ten oosten van Beyne (Be)

De broers Jean en Thomas Balhan, beiden zoon van Thomas Balhan, kapitein van Fléron, en enkele van hun nakomelingen maakten deel uit van verschillende van dergelijke coöperaties, c.q. als exploitanten van mijnen, waaronder die van Zonnexhon of Honhons, Pansery, Hawier in Bois d'Evegnee en Micheroux, Jean Léonard in Beyne, La Hilette in het land van Beyne en Romsée, La Cahotte, (Xhorè et) Crahau(x) en Coupay of Coupeau.
Baulduin Balhan, zoon van Baulduin Balhan en neef van voornoemde Jean en Thomas Balhan, heeft aandeel gehad in de mijnen van Musinpreit en La Heid des Chênes, Cowettes in Beyne, en vermoedelijk in die van Marganne en Barnabé.


De aandelen van Jean en Thomas Balhan

Het verhaal van Jean en Thomas Balhan vangt aan, naar ik aanneem uit de door mij geraadpleegde bronnen, bij de mijn van Zonnexhon of Onhons. Deze mijncoöperatie blijkt in ieder geval als een rode draad door hun leven te hebben gelopen, want de naam van de mijn duikt veelvuldig op vanaf het begin van de 17e eeuw tot halverwege de 18e eeuw als de mijn na verkoop overgaat in handen van een nieuwe coöperatie.

Het begin, de mijn van Zonnexhon

De oudste akte met betrekking tot deze mijn, die thans is teruggevonden, dateert van 24-8-1618.

Dit betreft een overeenkomst, getekend voor notaris Baulduin de Bouillienne, met bemiddeling van de "gegoede lui", tussen enerzijds Jean Balhan uit Fléron, Piron Bolsée, zijn zwager, Renchon Leblanc, Wilheame Jean Viar en Lambert de Bolsée namens alle mede-erfgerechtigden (=comparchonniers) van de mijn van "Justreuhaye" en anderzijds de mijn van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door de eigenaren, Jean Piron Léonard, Lambert Franck, Vincent le forgeron ( = de smid ? ) en Jean Hanuse. De laatsten hebben op 21-6-1618 de mijnschacht (=Xhorè) verkregen van Jean Louis Lambinon uit Fléron. In buurtschap Grandfontaine hebben zij gepoogd deze door te trekken naar hun werkzaamheden aan "Zonnexhon", maar de eigenaren van "Justreuhaye" hebben hen gedagvaard om te voorkomen dat het werk zonder voorafgaande toestemming wordt voortgezet. De "Xhorè" staat namelijk ten dienste van de twee mijnen "Grandfontaine" en "Justreuhaye" en is voor de helft uitgegraven door de twee genootschappen volgens een regeling aangegaan voor de commissie van toezicht van de steenkolenmijnen. Om de kosten en bezwaren van een lang proces te vermijden en om ‘goede buurschap te bewaren’, ontmoeten zij elkaar weer in het huis van Jean Wathelet in Beyne. Zij komen overeen dat de twee genootschappen gebruik mogen maken van de "Xhorre", op voorwaarde dat de fabrikanten en molenaars van Jupille en omstreken schadeloos worden gesteld voor de kosten die zij moesten maken toen de eigenaren van "Onnexhons" water lieten stromen uit de "Grandfontaine" van genoemde "Xhorre" in buurtschap Geufosse. De kosten worden betaald, maar het genootschap van "Zonnexhon" moet de rekening betalen. Tenslotte ontvangt Piron Bolsée namens zijn schoonmoeder van Jean Louis Lambinon, rekenmeester van de mijn van Lambinon in Grandfontaine, thans eigendom van de eigenaren van "Onnexhons", nog een vergoeding van 4 Brabantse florijnen voor het gebruik van de spoorbanen gedurende het komende jaar, ingaande 21 augustus.

Jean en Thomas Balhan kopen zich gedurende een aantal jaren achtereen in meerdere delen van deze, maar ook andere mijnen in, en verstevigen zo hun positie als aandeelhouders van de mijnen van Zonnexhon, Pansery (vanaf 1689 gefuseerd met die van Hawier) en Jean Léonard.

Op 14-5-1659 staat Henri Grailet dit chorè "de oude", wonende in Micheroux, de 3 kwarten van de lagen van de mijn van "Pansery", gelegen onder zijn eigendom af aan Remy Jean 'le grand' Léonard, Jean de Wandre en Jean Balhan, die ieder een 4e deel ontvangen. Thomas Balhan verkrijgt, dik tien jaar later, op 30-10-1669 om precies te zijn, alle rechten op een 6e deel van de mijn van "Pansery", van Jamin de Wérixhas, wonende in Fléron. Jamin de Wérixhas had dit deel van zijn schoonvader (of stiefvader ?) Fassin de Wérixhas verkregen.

Op 16-10-1669 verkrijgt Jean Léonard uit Beyne toestemming van de eigenaren van "Zonnexhon" (Henri de Fléron, Jean de Mollin, Jean Bertholet dit Henus, Vincent Nabé en Collin, zn. van Collin le forgeron namens zijn moeder) om een mijn te exploiteren, gelegen in een "aisance" dat hem toehoort onder zijn huis in Beyne. Op 23-12-1669 betaalt hij hier 100 Brabantse florijnen voor. Kort daarna echter verkoopt Jean Léonard een 6e deel van deze mijn en een 4e deel van de ruwe laag aan Jean Balhan uit Fléron, die deze op zijn beurt weer overdraagt aan Henri Melchior Leclercq. Hun rekeningen worden op 16-4-1670 afgesloten en Balhan betaalt aan het genootschap van "Zonnexhon" 10½ Brabantse florijnen, die door Léonard volgens het akkoord van 16-10-1669 verschuldigd was. Léonard blijft een som van 12 florijnen en 3½ patars schuldig aan Balhan. De naam Jean Léonard blijft derhalve bestaan voor een schacht, geëxploiteerd door de eigenaren van Zonnexhon, terwijl de mijn, gelegen in de eigendommen van Jean Léonard, de naam La Hillette verkrijgt.

Op 23-12-1669 doet Jean de Mollin, woonachtig in Beyne, afstand van een 16e deel van de mijn van "Zonnexhon" en draagt deze over aan Jean Balhan uit Fléron.

Op 20-4-1670 verkoopt Henri, zn. van Michel Fléron, woonachtig in Magnée, een 24e deel van de mijn van "Zonnexhon" aan Jean Balhan uit Fléron. Jean betaald hier 50 Brabantse florijnen voor.

Op 1-6-1670 verkopen Bastin Henrion en Hubert Haleux, schoonzonen van wijlen André de Labie, tegen een prijs van 12 Brabantse florijnen hun delen van de mijn van "Zonnexhon" aan Jean Balhan.

Op 15-3-1671 verkoopt Simon Neuray, schoonzoon van wijlen Michel Fléron, tegen de prijs van 28 Brabantse florijnen aan Jean Balhan: een 24ste deel van de mijn van "Zonnexhon" afkomstig van zijn schoonvader en 7 wagens met steenkool van 3 manden elk. Verder betaalt Neuray 30 florijnen terug die Balhan namens hem aan de mijn heeft voorgeschoten toen zij de grote laag bereikten aan de kant van Fléron.

Op 7-4-1671 verkoopt Job Fléron tegen de prijs van 80 Brabantse florijnen een 32ste deel van de mijn van "Zonnexhon" aan Thomas Balhan. Op diezelfde dag geeft Baulduin Truillet uit Fléron toestemming aan Jean Bertholet dit Henus, Vincent Barnabé, Jean Balhan, Guillaume de Ville, Collin zn. van Collin le forgeron ( = de smid ? ), Job Fléron en andere "comparchonniers" van "Zonnexhon", om een (blinde) schacht open te breken en de daarbij behorende spoorbaan in gebruik te nemen die over een landgoed loopt dat eigendom is van het land van Malgeule nabij Romsée. Zij zullen hem daar een vaste jaarlijkse schadeloosstelling van 100 dallers van 6½ Luikse florijnstukken per "bonnier" land voor betalen.

Op 19-7-1671 verkopen Franck Bonjean, Englebert Collinet, Isabeau, wed. van Jean André de Labie, en de kinderen van wijlen Jean d’Olne, te weten Marie, Jehenne, Toussaint en Catherine, kinderen en vertegenwoordigers van wijlen André de Labie en wijlen Marie Jean Piron Léonard uit Beyne, ieder tegen de prijs van 22 Brabantse florijnen hun 96ste deel van de mijn van "Zonnexhon", destijds gelegen in het land van Malgeule. Een 96ste deel wordt verkocht aan Jean Balhan, een 32ste deel (= drie 96ste delen) aan Melchior Jacques.

Ontginningswerkzaamheden van Jean en Thomas Balhan

Tijdens hun exploitatie-werkzaamheden kunnen zij niet altijd voorkomen dat zij in conflict komen met de eigenaren van de grond, waaruit zij hun ontginniningen plegen, en met de fabrieken, die in de omgeving van hun werkzaamheden zijn verrezen.

Op voorwaarde dat zij hem een landrecht betalen ten bedrage van 45° "trait", een schadeloosstelling van 100 dallers en 6½ Luikse florijnstukken per jaar per "bonnier" beschadigd land, geeft Jacques Laurent, wonende in Pansery, op 13-3-1672, toestemming aan Jean de Bouillienne, Jean Balhan, Jean Sonnet en andere "comparchonniers" van de steenkolenmijn van "Pansery", om schachten uit te graven en een doorgang in zijn grond te openen, genaamd "L’enclos", gelegen in Pansery. Volgend op dit akkoord wordt op 5-5-1672 een ander akkoord getekend tussen enerzijds de eigenaren van de lagen en "Xhorè" van "Pansery", Jean Balhan, Thomas zijn broer, Jean de Bouillienne en Hubert Fléron en anderzijds Jean Sonnet. De laatste verplicht zich de "Xhorè" voort te zetten tot aan de "sartay" van de grond van Bertholet Bertholet, op voorwaarde 25° "trait" over de landrechten te betalen aan de eigenaren, die zij op hen beurt verschuldigd zijn aan Jacques Laurent. Deze Jean Sonnet stoot op 10 à 12 vadem diep op een breuk in de aardlaag, waarmee zijn verplichting door te gaan met ontginningen ophoudt.

Op 22-11-1674 vertrouwen Vincent Barnabé, Thomas Balhan, Hubert Jean Franck, Vincent Barnabé "de jonge" Collin le forgeron ( = de smid ? ) en andere "comparchonniers" van Zonnexhon aan voorspreker Laurent Borre hun verdediging van belangen toe in de zaak, die de tegenstanders voor de raadsleden van de rekenkamer voeren met de fabrieken, die de stroom van Jupille zijn overgestoken.

Vanaf 1675 vertegenwoordigen Jean en Thomas Balhan niet alleen de mijn van Zonnexhon, maar treden zij herhaaldelijk ook op namens de mijn van Coupeau of Coupay. De mijn van de "Coupay", een betrekkelijk belangrijke vereniging van steenkolenhandelaren, is gelegen op "Tesny" (toponiem), grenzend aan het voetpad dat zich uitstrekt van Fléron tot Beyne.

Op 6-2-1675 draagt het genootschap van "Zonnexhon" de rechten over van de "Xhorres" en de werkzaamheden aan "Geufosse" en "Grandfontaine", gelegen in het erfgoed Lambinon, aan het genootschap van "Coupeau". Het genootschap van Zonnexhon is hierbij vertegenwoordigd door Henri Fléron, Vincent Barnabé en Collin le forgeron ( = de smid ? ). Die van "Coupeau" door de broers Jean en Thomas Balhan. Bedoelde Xhorre is op 21-6-1618 voor notaris Baulduin de Bouillienne door de eigenaren van "Zonnexhon" van Jean Louis Lambinon verkregen, op voorwaarde dat de "Xhorè" nooit gebruikt zal worden om in de bezittingen van de eigenaren van "Zonnexhon" te gaan werken.

Op 26-12-1675, ten huize van Thomas Fagart in Beyne, stelt het genootschap van "Coupeau", vertegenwoordigd door de broers Jean en Thomas Balhan en het genootschap van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door Vincent Barnabé, Hubert Jean Franck, Collin le forgeron ( = de smid ? ) en Guillaume Deville, een in november 1675 mondeling aangegane overeenkomst tussen de eigenaren van de "Zonnexhon" en de fabrikanten, die op de stroom van Jupille werken, op schrift. In de overeenkomst staat dat de eigenaren van "Zonnexhon" een serre moeten achterlaten tussen de werkzaamheden van "Zonnexhon" en "Coupeau" van 10 à 11 vadem diep ( 1 vadem = 1,95 m ). Destijds is nauwkeurig omschreven dat de eigenaren van "Coupeau" niet verder mogen gaan dan de "haye", gelegen tussen het land van Beyne en Grandfontaine en dat zij van "Zonnexhon" vanaf deze lijn de serre van 10 à 11 vadem achterlaten.
In feite gehoorzamen de toezichthouders van de steenkolenmijnen, Denis de Lhoneux, Arnould Baulduin en Jean le tambourier ( = de trommelslager ? ) aan een verordening, in november 1675 uitgebracht door de Prins-bisschop in zijn rekenkamer, om de werkzaamheden van de genootschappen van "Zonnexhon" en "Coupeau" te inspecteren en de lijn van verdeling te bepalen, van het water dat naar Chênée of naar Jupille afvloeit. De partijen in aanwezigheid van eerdergenoemden, verklaren dat zij hebben besloten een serre van 10 à 11 vadem diep tussen de twee mijnen achter te laten, zodat voorkomen wordt dat het mijnwater wegvloeit in de richting van Chênée. De definitieve overeenstemming moet op 12-3-1676 in het huis van voorspreker Laurent Borre, parochiaan van St. Séverin in Luik, getekend zijn, maar de toezichthouders van de kolenmijnen en de eigenaren van de mijn, Henri Fléron, Vincent Barnabé en Jean Balhan wachten tevergeefs tot 15.30 uur op de eigenaren van de fabrieken, die werkzaam zijn op de stroom van Moulin-sous-Fléron naar Jupille.
Destijds laten de eigenaren van "Onhons", voor een notaris, hun afwezigheid officieel in een akte vastleggen teneinde zich te verzekeren tegen verdere aansprakelijkheid tijdens het voortzetten van het geschil met de tegenstanders. Deze voorstelling van zaken wordt op 18-3-1676 door Vincent Pierre uit Heusay bevestigd.

Op 4-1-1677 verlengen/vernieuwen Vincent Barnabé, Henri Fléron, de broers Jean en Thomas Balhan, Vincent Barnabé "de jonge", Guillaume Deville, Collin le forgeron ( = de smid ? ), namens hemzelf en zijn broers en zusters en Hubert Jean Franck, "comparchonniers" van de mijn van "Zonnexhon" hun volmacht aan Laurent Borre om de bezwaren, die Louis Borguet, Léonard Crahea, François delle Semme en andere eigenaren van de fabrieken van Moulin-sous-Fléron en Jupille hebben, aan te vechten voor de commissie van toezicht van de steenkolenmijnen.

Uiteindelijk wordt op 10-1-1677 een overeenkomst getekend tussen enerzijds een deel van het genootschap van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door Vincent Barnabé, Jean Balhan, Jean zn. van Henri Fléron, Lambert Decerf, Collin le forgeron ( = de smid ? ), Melchior Jacques, Vincent zn. van Vincent Barnabé, Guillaume de Ville, Simon Neuray, Jean Detry, die het deel van Mathieu delle Semme heeft verkregen, Thomas Balhan, de wed. Bartélemy Crocteau en Hubert Jean Franck en anderzijds Louis Borguet en Léonard Craheau, commiezen van de fabrieken van Jupille en Philippe Borguet, alledrie eveneens werkzaam voor de eigenaren van de fabrieken van Moulin-sous-Fléron. De eigenaren van "Onhons" mogen hun werk voortzetten tot aan de serre, achtergelaten door de vroegere eigenaren van de mijn, nabij het huis van Gilles Thomas Renotte, mits zij, eenmaal op deze plaats aangekomen, geen schade toebrengen aan de eigenaren van de fabrieken door het mijnwater om te leiden naar Chênée. Zij verplichten zich een afscheiding te maken in hun steengang (=bacnure) teneinde het water tegen te houden en dit op een voldoende hoogte te plaatsen, opdat zij het onder de gestelde voorwaarden weg kunnen laten lopen op de "Xhorre" en het niveau van Geufosse. De eigenaren van "Zonnexhon" mogen hun werkzaamheden voortzetten tot aan 26-12-1675, een en ander vastgelegd met de eigenaren van "Coupeau". Wanneer de afscheiding is voltooid zullen de eigenaren van de fabrieken van Jupille en Moulin-sous-Fléron 150 Brabantse florijnen betalen aan het genootschap van "Zonnexhon".

De eerste verhandelingen van delen van hun mijnen vinden vanaf begin 1677 plaats. Daarbij wordt duidelijk dat nog meer mijndelen tot hun bezittingen behoorden, te weten delen van de mijn van La Cahotte en La Hilette.

Op 28-3-1677 verkoopt Jean Balhan uit Fléron een 24ste deel van de mijn van "Zonnexhon" tegen de prijs van 250 Brabantse florijnen aan Vincent Barnabé "de jonge", woonachtig in Prassieux-Rieu(x), die hiervan op zijn beurt tegen dezelfde prijs afstand doet aan zijn broer Antoine Barnabé.

Op 16-9-1677 geeft Jean Balhan een 8e deel van de mijn van "La Cahotte", gelegen in de bezittingen van Grégoire le brasseur ( = brouwer ? ) aan zijn broer Thomas Balhan.

Hier verschijnt de naam van de mijn van "La Hillette" ook voor de eerste maal, en wel op 16-9-1677, wanneer Jean Balhan uit Fléron een 3e deel van de mijn "Xhilette", thans gelegen in de eigendommen van Jean Léonard in Beyne, aan zijn broer Thomas geeft.

Op 17-9-1677 verkoopt Jean Balhan uit Fléron een 16e deel van de mijn "La neuve houillère" (het betreft hier zeker een deel van Zonnexhon) tegen de prijs van 375 Brabantse florijnen aan Wathieu Leclercq uit Fléron.

Twee maanden later, op 16-11-1677, geeft Jean Balhan een 8e deel van de mijn van "La Cahotte", gelegen in het eigendom van Collas Augustin de la Haye in Heusay aan zijn neef François Thonnart (zoon van zijn zuster Jehenne en zijn zwager Nicolas Thonnart). François Thonnart, Henri Leclercq, Jean Francket le clercq, en Mathieu Thomas Jacques, vertegenwoordigers van Jean Balhan staan op 30-1-1678 dit deel van de mijn van "La Cahotte" af aan hun "comparchonnier" Jean Collas Augustin de la Haye. Voorwaarde hierbij is wel, dat Jean Collas hun de schade, veroorzaakt door het spoor, steenberg en schachten, kwijtscheldt, volgend op het akkoord dat sedert ongeveer 5 jaren voor notaris Baulduin Gilman is verleden met de eigenaren van "Masée Veine".

Hierna vinden we de naam van Jean Balhan niet meer terug. Het is zeer waarschijnlijk, dat hij tussen 16-11-1677 en 30-1-1678 is overleden. Zijn broer Thomas blijft echter deelnemen in de verschillende coöperaties en zet deze werkzaamheden zelfs nog jaren voort. Om te bepalen of de boringen en ontginningen geen overlast veroorzaken of kunnen zorgen voor schades werden de werkzaamheden regelmatig gecontroleerd. Vooral de waterafvoer en de naleving van de concessiegrenzen vereisten een regelmatige controle. Bij het dieper worden van de mijnen nam de strijd tegen het water steeds grotere vormen aan, en moesten er voldoende voorzieningen zijn aangebracht teneinde het water (al of niet door bemaling) af te voeren. Vaak moest het mijnwater uit de waterhoudende lagen tot hogere niveaus worden opgepompt alvorens te kunnen worden afgevoerd, omdat de afvoermogelijkheden in de lagere lagen ontbraken. Ook bestonden er veelal steengangverbindingen tussen verschillende mijnen, bedoeld om steenkolen, waterafvoer en luchtzuivering te regelen. Controle was daarom ook nodig om te zorgen dat de ondergrondse concessiegrenzen van een mijn niet werden overschreden.

Om de exploitatie-werkzaamheden voort te zetten richt Jean Lemoine uit Heusay, eigenaar van de mijn van "La Cahotte", op 29-9-1680 een nieuw genootschap op. Hij staat hierbij een 16e deel van de mijn af aan Piron Michel Lemoine, een 8e deel aan François Bertholet, een 16e deel aan Baulduin Louis Thiry, een 16e deel aan Servais Renchon, een 16e deel aan Henri Lemoine, een 8e deel aan schepen Radoux en een 24ste deel aan Philippe de la Haye. Zijn "comparchonniers" moeten hun deel van de kosten betalen, zoals daags tevoren met Thomas Balhan en gevolg in een overeenkomst werd vastgelegd. In het huis van François Bertholet wordt een contract getekend, waarin de volgende punten zijn opgenomen: Als het water van de put van Jean Lemoine opdroogt, zijn zijn "comparchonniers" tot geen enkele reparatie verplicht; iedere eigenaar, die niet in staat is zijn bijdragen aan 3 van de 15 rekeningen te voldoen, raakt zijn deel ten voordele van de anderen kwijt; als een eigenaar zijn deel aan een buitenstaander verkoopt, mag iedere "comparchonnier" dit deel weer terugkopen tegen dezelfde prijs, op voorwaarde dat dit zonder enige geheimhouding wordt vastgelegd. Op 16-10-1680 staat Jean Lemoin, onder dezelfde voorwaarden, nog een 8e deel van de mijn van "La Cahotte" af aan Willem de Beyne.

Op 21-11-1680 vormen Louis Thiry en zijn zonen Jean en Louis zich een oordeel over de werkzaamheden van "Geufosse" en "Zonnexhon" en verklaren dat de "Xhorè" en het niveau van "Geufosse" afzakken naar Moulin-sous-Fléron en dat op een diepte van 7 voet het water in de (blinde) schacht van "Zonnexhon", gelegen nabij het huis van Simon Joyeux, naar boven komt. Deze verklaring wordt, ten huize van de wed. Jean Léonard Grégoire te Beyne, door de eigenaren van "Zonnexhon", Barnabé en Melchior Jacques, Thomas Balhan en Vincent Barnabé, namens hen genootschap, in ontvangst genomen.

Naarmate het werk vordert worden verschillende overeenkomsten gesloten met de grondeigenaren en andere mijn-coöperaties en worden duidelijke afspraken gemaakt omtrent gebruik van de wederzijdse bezittingen, de grondrechten die hiermee gemoeid zijn en de vergoedingen, die betaald moeten worden voor de aangebrachte schades aan de eigendommen van de betrokken partijen.

Omdat zij door hun ontginningswerkzaamheden vanaf het oog (=l’oeil) van hun "Xhorè" gelegen in buurtschap Prassieurieux tot in een plaats genaamd Heusay, op het punt staan door te dringen in het eigendom van Lambert de Neufcour tekenen de "comparchonniers" van een steenkolenmijn, waarvan exploitatie op 13-5-1633 is toegekend door de commissie van toezicht van de steenkolenmijnen (Les Voir Jurés), op 29-12-1680 een akkoord met Lambert de Neufcour. De "comparchonniers", die in het kasteel van Neufcour samenkomen zijn Lambert Baulduin, Léonard Renotte, Henri, zn. van Thomas Wathy, Denis le Charlier, Melchior Jacques Jean Jacques, Nicolas Spiroux, Thomas Balhan en eigenaar Laurent Robinet, maar zij vertegenwoordigen ook de andere leden van hun vennootschap.

Op 28-5-1681 lenen Barnabé Jacques, Vincent Barnabé, Thomas Balhan, Guillaume Deville en Melchior Jacques, namens hun genootschap van "Zonnexhon", 250 Brabantse florijnen van hun "comparchonnier" Léonard Renotte. Zij moeten hier een jaarlijkse rente van 10 dallers van 6½ Luikse florijnstukken voor betalen. Zij geven deze 250 Brabantse florijnen aan Pacquea Gilmar uit Beyne om, zoals afgesproken in een overeenkomst van 23-4-1681, de schade te vergoeden aan zijn land, dat zijn eigendom is in het land van Malgeule nabij Romsée.

Het akkoord van 29-12-1680 wordt op 28-12-1684 bekrachtigd in het kasteel van Gaultier Lambert Emmanuel de Neufcourt, alwaar hij in het bijzijn van priester Pierre Libotton en Jean le Grandgilet, de "comparchonniers" van de mijn genaamd "Xhorè et Crahau" ontvangt, te weten Lambert Baulduin, Léonard Renotte, Henri Thomas Wathieu, Melchior Jacques, Jacques Bertholet, Nicolas Spiroux, Thomas Balhan, Henri Lemoine, de weduwe Jean Jeanjean, Gérard Bertholet, Barnabé Jacques en Franck le Cambresier, en die ook uit naam van de andere eigenaren van de mijn handelen, te weten de weduwe Hubert Vincent, de weduwe Henri Lambinon, Baulduin Gilman, André van Wel, koopman te Luik en Baulduin, zn. van Jean Baulduin. Zonder omwegen wordt voor 3 tot 6 jaar de garantie gegeven, dat de experts van de "comparchonniers" 3x per jaar een bezoek mogen brengen aan de werkzaamheden in de eigendommen van Gaultuir de Neufcourt, teneinde het mijnwater te inspecteren.

Op 26-5-1685 wordt een akkoord gesloten tussen enerzijds Antoine Morlet, Baulduin Roland de croupet voor hen en andere kinderen en schoonzonen van wijlen Jean Morlet, Nicolas Morlet en zijn broers en zusters, kinderen van wijlen Nicolas Morlet en Nicolas Moreau, schoonzoon van wijlen Denys Julinet, echtgenoot van Anne Morlet, allen erfgenamen van wijlen François Morlet, hun oom en anderszijds het genootschap van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door Barnabé Jacques, Thomas Balhan, Melchior Jacques, Léonard Renotte, Guillaume Deville en Jean Melchior Jacques. De erfgenamen van François Morlet vragen verscheidene achterstallige rentes van 8 Brabantse florijnen per jaar terug, die hen verschuldigd zijn voor hun 3e deel van een "cens d’araine" van de "Xhorre" van de eigenaren van de "Zonnexhon", afdalend naar Chênée. De eigenaren betalen 100 Brabantse florijnen voor het wegwerken van de achterstanden en lossen dit deel van de "cens d’araine" af.

Op 5-7-1687 ondertekent het genootschap van "Zonnexhon" een contract met de eigenaren van de "Alunerie de fonds" van Forêt voor levering van steenkolen: Op 11-6-1690 procederen zij voor het gerechtshof van Fléron.

Tot aan 1689 wordt, ten overstaan van de schepenen van Luik, door Jean de Bouillienne kapitein van Fléron, Thomas Balhan en andere "comparchonniers" van de "Xhorre" van "Pansery" een rechtszaak gevoerd tegen Ferdinand, graaf van Aspremont en van Lynden, heer van Soumagne en Mélen, Pierre de Bois, Jean de Warlimont namens zijn moeder, de weduwe Servais de Warlimont, Henri Godin en gevolg, Abraham en Job Jacob, broers en hun gevolg en Bertrand Laurent Pasquier namens zijn moeder, allen "comparchonniers" van de "Xhorre" van "Hawier" in Bois d’Evegnée. Door bemiddeling van Simon Crahea, kapitein van Soumagne, van Laurent Collard en andere "gegoede lui", wordt op het kasteel van Wégimont op 13-3-1689 een akkoord gesloten met als resultaat een fusie van de twee steenkolen-genootschappen. Voor deze fusie was het genootschap van "Hawier" opgedeeld in 7 delen; voortaan wordt zij opgedeeld in 9 delen,waarvan 2 delen worden afgestaan aan de eigenaren van "Pansery".

Op 22-3-1691, ten huize van Henri Godin onder jurisdictie van Soumagne, vertrouwen Jean-Michel Hubin namens Mevrouw de gravin, douairière van Aspremont en van Linden, dame van Soumagne en Mélen, Jean de Warlimont namens zijn moeder, de weduwe Servais de Warlimont, Pierre de Bois, de broers Job en Abraham Jacob en gevolg, Henri Godin en gevolg, Jean de Bouillienne kapitein van Fléron, Thomas Balhan en Gérard Fléron, allen eigenaren van de mijn in "Bois de Micheroux", de verdediging van hun belangen in de zaak die zij voor de commissie van toezicht van de steenkolenmijnen voeren tegen de weduwe Henri Jaspar, de kinderen Thomas Gilman en anderen, toe aan voorspreker François Viseto. Op voorwaarde dat hem 41° "trait" aan landrechten wordt betaald geeft Jean de Féchier op 24-7-1691 toestemming aan Mevrouw de gravin, douairière van Aspremont en van Linden, Jean de Bouillienne kapitein van Fléron, Thomas Balhan, Abraham Jacob en gevolg, Job Jacob, Aylid dochter van wijlen Laurent Pasques Califice namens haar moeder, Pierre de Bois, Henri Godin en gevolg, allen eigenaren van de mijn van "Hawier", om steenkolenlagen te ontginnen, die onder zijn eigendom, in buurtschap Quaiweux, zijn gelegen. Jean de Féchier behoudt echter het recht op zijn kosten enige kleine lagen te exploiteren, die in een weiland zijn gelegen in buurtschap Bergivy, op voorwaarde dat hij de eigenaren van "Hawier" niet benadeeld.

Op 10-4-1692, ten huize van Franck Spirlet op de Croupet in Fléron, vertrouwen Thomas Balhan, Pierre de Bois, de broers Job en Abraham Jacob, eigenaren van de "Xhorre" van "Hawier", de verdediging van hun belangen in de zaak die zij voor de schepenen van Luik voeren tegen Everard Nizet, burgemeester van Olne, toe aan de voorspreker van Many.

Vanaf 1695 lijkt er een nauwe samenwerking te ontstaan tussen het genootschap van "Zonnexhon" en dat van "Coupeau", gezien de verschillende overeenkomsten die zij afsluiten en de gezamenlijke aanpak in verschillende kwesties.

Naar aanleiding van het akkoord van 17-1-1695 tussen het genootschap van "Zonnexhon", genaamd "La neuve houillère" en het genootschap van "Grandfontaine", wordt op 26-3-1695 een overeenkomst aangegaan tussen het genootschap van "Coupeau", vertegenwoordigd door Jean de Bouillienne kapitein van Fléron, Franck Spirlet en Amand Grégoire en het genootschap van "Zonnexhon", genaamd "La neuve houillère", vertegenwoordigd door Barnabé Jacques Truillet, Thomas Balhan, Jean zn. van Hubert Jean Franck en Oger Cornet. De twee genootschappen zullen alles in het werk stellen om een aanvang te maken met het opruimen van de (blinde) schacht in de grond van Jacques Urbain en andere te verwachten noodzakelijkheden aan "l’espeture", zoals vermeld in het akkoord van 17-1-1695. Zij zullen dit ieder voor de helft doen, totdat zij zijn aangekomen bij de grote laag van voornoemde eigenaren en mijnen; dus zullen de eigenaren op hun kosten een (blinde) schacht opruimen en als zij dit hebben gedaan, dan zullen de eigenaren van "Zonnexhon" ervoor zorgen dat het niveau van genoemde schacht met 3 vadem van 6 voet elk wordt voortgezet aan de kant van Beyne aan hun "espeture" om deze vervolgens tot aan de door de twee partijen getrokken grens, bij contract op 26-12-1675 overeengekomen, te exploiteren.

Op 13-5-1695, ten huize van Pierre Lovinfosse in Bressoux, wordt de mondelinge overeenkomst van 26-12-1675 en die reeds op 26-3-1695 werd beschreven, tussen het genootschap van "Zonnexhon", genaamd "La neuve houillère" en het genootschap van "Coupeau" opnieuw beschreven en aangevuld tussen enerzijds de eigenaren van "Coupeau", Jean de Bouillienne kapitein van Fléron, Franck Spirlet, Wilhem de Beyne, Jean Denys Moreau en Thomas Balhan en anderzijds de eigenaren van "Zonnexhon", Laurent Collard, de broers Barnabé en Melchior Truillet en Antoine Barnabé.

Op 9-4-1697 verkopen Melchior en Henri Leclercq, zn. van wijlen Henri Leclercq uit Beyne, aan Thomas Balhan, woonachtig in Hotteux, tegen de prijs van 4 écu van 4 florijnstukken, een 48ste deel van "la fosse del Xhilette", tegenwoordig gelegen op "la clusure", en voorheen verkregen door wijlen Gilles Thone Renotte uit Beyne. De eigenaren van "La Xhilette" maakten destijds met toestemming gebruik van een schacht gelegen in deze "clusure" en toebehorend aan het genootschap van "Zonnexhon".

Op 2-12-1697, ten huize van Franck Spirlet op de Croupet, wordt een akkoord getekend tussen enerzijds Laurent Collard, Gérard Bouillienne, Thomas Balhan, Franck Spirlet, Vincent Lemoine en zijn schoonvader Barnabé Truillet, de broers Léonard en Amand Grégoire en Eustache Leruitte, die hun "comparchonniers" van de mijnen van "Coupeau" en "Zonnexhon" vertegenwoordigen en anderzijds Jean Wérin, Jean Beaupain en Jean Jacques Truillet, de de mijn van "Musinpreit" in "Heid des Chênes" vertegenwoordigen. Zij staan op het punt in conflict te komen, omdat de eigenaren van "Coupeau" en "Zonnexhon" de "Xhorre" het niveau van de mijn van "Grandfontaine" komen opruimen/schoonmaken, terwijl de eigenaren van "Musinpreit" ook een (blinde) schacht geopend en schoongemaakt hebben, die nogal dichtbij genoemde "Xhorè" ligt. De laatsten werken aan het schoonmaken van een luchtweg om naar hun hogere werkzaamheden te gaan, werk dat de eigenaren van "Coupeau" en "Zonnexhon" beschouwen als aan hen toegebrachte schade. Om een rechtszaak te vermijden bereiken zij, door bemiddeling van goede vrienden een akkoord: het genootschap van "Musinpreit" betaalt aan de twee anderen 200 Brabantse florijnen en nemen de kosten van de schade, die zij door het schoonmaken van genoemde "Xhorè" in het land van de wed. Henri Thomas Wathieu en Gérard Riguelle hebben veroorzaakt, voor hun rekening.

Op 18-1-1698, ten huize van Franck Spirlet op de Croupet van Fléron, wordt, door bemiddeling van Jean Wérin, Franck Spirlet en Gérard de Bouillienne, een overeenkomst aanvaard tussen enerzijds Jean Truillet en anderzijds de eigenaren van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door hun "comparchonniers" Laurent Collard, Barnabé Truillet en Thomas Balhan. De laatsten betalen aan Jean Truillet 70 Brabantse florijnen voor de verwijderde grond uit een terrein dat zijn eigendom is en waarmee zij 110.000 bakstenen voor hun mijn hebben gemaakt. Zij mogen hun uitgegraven "terrises" dichtgooien op voorwaarde dat zij deze met 2 voet goede grond afdekken. Tenslotte betalen zij, voor de huur van het omheinde terrein, een jaarlijkse schadevergoeding van 100 dallers per "bonnier".

Op 11-11-1698, ten huize van Jean de Bouillienne in Fléron, maken Jean de Bouillienne, voormalig luitenant-kolonel van baljuwschap Amercoeur, Melchior Delsemme, Gérard de Bouillienne en Jean le scrinier de voorwaarden bekend, die Thomas Balhan, Gérard Fléron en gevolg op 6-11-1697 met het genootschap van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door zijn eigenaar en rekenmeester Barnabé Truillet, hebben gesteld aan het exploiteren van de laag, genaamd "Jean Léonard", die deze Jean Léonard op 16-10-1669 van de eigenaren van "Zonnexhon" heeft verkregen. Thomas Balhan en gevolg hebben Barnabé Truilllet en gevolg voor de helft deelgenoot gemaakt van de laag, afkomstig van voornoemde Jean Léonard in een (blinde) schacht in een terrein, toebehorend aan Madame Bouillienne, genaamd "La Clusure" en aan iedere andere (blinde) schacht, verzonken vanaf de laag van "Zonnexhon", die de laag van Léonard passeert. Voorwaarde is dat genoemde Balhan en gevolg gebruik mogen maken van de (blinde) schachten van de laag van "Zonnexhon" zover het land van Beyne reikt en dat zij, nadat de eigenaren van "Zonnexhon" hun schachten niet meer voortzetten en hebben dichtgegooid, bedoelde eigenaren van "Zonnexhon" de eigenaren van de laag van "Jean Léonard" er niet van mogen weerhouden aan deze te werken. Ook niet als hen de helft van de schade wordt vergoed vanaf de dag waarop de genoemde schachten worden voortgezet.

Op 29-11-1698, ten huize van Léonard Grégoire in Beyne, wordt een overeenkomst gesloten tussen het genootschap van "Zonnexhon", vertegenwoordigd door de broers Barnabé en Melchior Truillet, Laurent Collard Truillet, Antoine Barnabé, Jean Tossent Renchon, Gérard de Ville en Vincent Lemoine enerzijds en anderzijds Thomas Balhan, Gérard Fléron en andere "comparchonniers" van de laag, genaamd "La Hilette". De eigenaren van "Zonnexhon" hebben voorheen aan hen van "La Hilette" toegestaan aan de laag te werken door hun (blinde) schacht gelegen in "la clusure", vroeger in eigendom verkregen door wijlen Gilles Thone Renotte in Beyne, op voorwaarde dat de eigenaren van "Zonnexhon" de helft van de laag van "La Hilette" ontvangen en van de gemeenschappelijke handmatige exploitatie door genoemde schacht de helft van de kosten zullen betalen en de schade zullen vergoeden.

Omdat zij hun werk graag voort willen zetten, wordt op 12-9-1700, in het kasteel van Wégimont, een nieuw contract ondertekend door de eigenaren van de mijn van "Hawier" in Bois de Micheroux, te weten Jean-Michel Hubin, Pierre du Bois, Mevrouw Claire Joséphine, gravin van Aspremont en van Linden, Jean de Warimont, Thomas Balhan, Gérard Fléron, Jean de Bouillienne, Job Jacob del beucke, Jacob Abraham del beucke, Jacques Rensonnet "de jonge" voor hem en de vertegenwoordigers Henri Godin, Collas Collard en de vertegenwoordiger Laurent Pasquier. Een ieder wordt, evenredig met hun deel, verplicht in de kosten bij te dragen. De rekeningen worden opgemaakt en ieder sluit er 15 af; als een eigenaar 3 opeenvolgende rekeningen niet heeft betaald, raakt hij zijn deel kwijt ten voordele van de andere eigenaren; ieder deel dat wordt verkocht mag door de eigenaren tegen de verkoopprijs worden teruggekocht, op voorwaarde dat dit zonder enige geheimhouding wordt vastgelegd.

Herhaaldelijk moeten de mijneigenaren hun toevlucht zoeken naar de gerechterlijke instanties om geschillen omtrent het niet nakomen van afspraken te laten regelen. Andersom worden ook de mijneigenaren regelmatig ter verantwoording geroepen zich te houden aan de betaling van de vastgestelde vergoedingen.

Op 19-2-1702 krijgen de broers Barnabé en Melchior Truillet , Thomas Balhan, Everard Nizet, Vincent Lemoine, Antoine Barnabé, Piron Michel Lemoine, Lambert Laurent, Collard Truillet, Léonard Grégoire, Lambert Léonard en andere eigenaren van de mijn "La neuve houillère" en "Zonnexhon", gedaagd door Henri Joeskin en Jean Francket le clercq, commiezen van de gemeenschappen Beyne en van La Neuville, opdracht een schadeloosstelling te betalen, veroorzaakt door hun mijnen in de aisemence van genoemde "Zonnexhon". Zij vertrouwen de zorg dit geschil te regelen toe aan hun "comparchonnier" Barnabé Truillet.

Op 2-4-1702 besluiten de partijen een advocaat aan te wijzen en zich te verlaten op diens arbitrage.
Kort daarna stelt een geschil het genootschap van "Musinpreit" en "Heid des Chênes" tegenover het genootschap van "Coupeau" en "Zonnexhon" omtrent een akkoordbepaling van 2-12-1697, die elkander toestaat gebruik te maken van de mijnen van de ander, "om zich te bedienen van lucht en gerief".

Op 7-6-1702, ten huize van Gérard de Bouillienne, bij de kerk van Fléron, wordt door bemiddeling van deskundigen en "gegoede lui", een akkoord getekend tussen Everard Nizet, die de mijn van "Musinpreit" en "Heid des Chênes" vertegenwoordigd en Thomas Balhan en Barnabé Truillet, die de mijnen van "Coupeau" en "Zonnexhon" vertegenwoordigen. De eigenaren van "Coupeau" en "Zonnexhon" betalen aan hen van "Musinpreit" 120 Brabantse florijnen en krijgen toestemming gebruik te maken van de (blinde) schacht van "Musinpreit", gelegen in Grandfontaine in de grond van Denis Bonjean om zo hun "Xhorre" nabij genoemde schacht op te ruimen en hun vrije laag terug te geven.

Op 30-8-1706 wordt een nieuw akkoord getekend tussen enerzijds het genootschap van "Zonnexhon", genaamd "La neuve houillière", vertegenwoordigd door Thomas Balhan, Vincent Lemoine en de notaris van Fléron, Wathieu Leclercq en anderzijds het genootschap van "Coupeau", vertegenwoordigd door Eustache Leruitte, voorspreker voor de schepenen van Luik, woonachtig in Souverain-Pont, parochie St. Etienne, Gérard de Bouillienne en genoemde Thomas Balhan, aandeelhouder in de twee genootschappen, met betrekking tot het schoonmaken en opruimen en gebruikmaken van verschillende schachten.

Op 23-1-1707 maakt de kapelaan van Fléron, Henri Leclercq, in de kapel van Beyne een kennisgeving van de eigenaren van La Xhilette openbaar. Door de putten van "La Clusure" van wijlen Gilles Thone Renotte uit Beyne exploiteren zij uit de grond van Denis Léonard, maar zij staan op het punt de naburige grond van Léonard Grégoire binnen te gaan, waardoor verschillende personen aanspraak kunnen maken op de landrechten; om moeilijkheden te voorkomen verzoeken zij een termijn van 15 dagen in acht te nemen. Als vergoeding voor de schade, die zij tot 1707 aan hun tuin in Beyne hebben geleden door een gegraven schacht en een greppel, maar in het bijzonder voor het verlies van een pruimenboom en een wilg krijgen de twee broers Henri en Lambert Léonard Grégoire uit Beyne op 7-2-1708 van Thomas Balhan, namens de genootschappen van "Zonnexhon" en "La Xhilette", 100 Brabantse florijnen en 5 karrevrachten steenkool.

Thomas Balhan wordt nog een aantal malen teruggevonden als "comparchonnier" van de mijn van Coupay, in navolging van zijn vader, die voor deze mijn ook ontvanger is geweest.

Op 27-12-1709 doen Noël Cambresier (echtgenoot van Catherine Nivar) en zijn zwager Jacques Nivar (echtgenoot van Anne Le Cambresier), volmacht verleend door Remy, Marie en Martinon, allen kinderen van wijlen Gabriel Cambresier (ovl. 18-6-1702), tegen de prijs van 16 Brabantse florijnen (Fl.bbt) afstand van de "terrages" van de mijn van "Coupay", toebehorend aan hun grootvader Jean Lambinon (uit Magnée), aan Thomas Balhan en aan "comparchonniers" van de deze mijn.

Op 19-5-1710 is Thomas Balhan, samen met Gérard Bouillienne, beiden eigenaar van de steenkolenmijn van de "Coupay" , aanwezig bij het opmeten van het terrein van Simar de Grandry, waaruit zij hun ontginningswerk per 23-5-1709 hebben gestart. Het gebruik van de benodigde grond, opgemeten door de heer Rahier, zn. van Jean Rahier, voor het spoor (toegang tot de schacht), 4 grote schachten en 2 kleine wordt middels een jaarlijkse schadevergoeding, te betalen aan Simar, in het bijzijn van Jean Leclercq, ontvanger van de mijn van de "Coupay", contractueel vastgesteld op 26 florijnen en 13 patars, vervaldag 1 juni. Meestal vindt betaling echter in natura plaats, door middel van manden met steenkool.

Eén jaar na zijn huwelijk (1-2-1715) treedt Pierre Massar met zijn erfzusters van hun tante Maria Collinet op als vertegenwoordiger voor zijn echtgenote Marguerite Collinet, en onderhandelt hij over een kwestie met "een mijn en werkplaats gelegen in Coupay"; er is sprake van een kolenmijn, geëxploiterd door Gérard de Bouillienne, Gérard Fléron en Thomas Balhan, "comparsonniers". Catherine Collinet, schoonzuster van Pierre tekent voor haar zusters. Notaris Leclercqz, 6-1-1716.

Vanaf 1718 raakt ook Thomas uit het zicht en worden nog slechts zijn nakomelingen vermeld. Er mag ontegenzeglijk van worden uitgegaan dat Thomas omstreeks dit tijdstip, in ieder geval tussen 1710 en 1718, overleden moet zijn.

Op 29-7-1718, ten huize van voorspreker Constant, op de treden van St. Pierre in de parochie St. Clément in Luik, wordt een akkoord getekend tussen enerzijds Vincent Lemoine, Lambert de chession, Jean Baudrihaye, Jean Spiroux, Jean Gilles Romsée, Thomas Balhan namens zijn moeder, allen eigenaren van de mijn van "Zonhons", genaamd "La neuve houillère" en Vincent Barnabé, zover hij hun "comparchonnier" is, die allen met elkaar het genootschap van "Zonnexhon" vertegenwoordigen, en anderzijds voorspreker Leruitte, Gérard de Bouillienne, Hubert Beaupain, Gérard Fléron en Bauduin Browin namens zijn en hun "comparchonniers" van de mijn van "Coupeau". Een geschil over grondrechten, die de eigenaren van Zonnexhon steeds weigerden te betalen, had hun verstandshouding dusdanig verslechterd, dat er verschillende beledigingen waren geuit. Als de uitgesproken beledigingen thans worden doorgehaald/geschrapt, verklaren de eigenaren van "Zonxhons", dat zij nooit de bedoeling hebben gehad de eigenaren van de mijnen van "Coupeau" te beledigen en dat zij hen altijd hebben gekend als mensen van eer en van goede reputatie: zij verplichten zich aan Sr. Bouillienne en gevolg de grondrechten van 1700 Brabantse florijnen te betalen, opgeeist volgens het register van "deposé" voor de schepenen van Luik.

Het einde van de coöperaties

Na het overlijden van Thomas worden steeds meer door de familie vererfde en anderszins verkregen delen van mijnen verkocht. Blijkbaar trekt de familie Balhan zich vanaf nu, gedreven door een nog onbekende oorzaak, terug uit de verschillende coöperaties.

Op 5-2-1731 verkoopt Léonard Balhan uit Fléron tegen de prijs van 160 Brabantse florijnen, een 5e deel van drie 32ste delen van "La neuve houillère" in Beyne aan François Hubert uit Vaux-sous-Chèvremont.

Op 17-11-1733 verkoopt Léonard Balhan, zoon van wijlen Thomas Balhan een 5e deel, verorven van vier achtsten en van een 16e deel van de laag, winning en werkzaamheden van Xhylette, aan Jean-Baptiste Neuray. Hij krijgt hier 14 Brabantse florijnen voor. De schoonzoon van wijlen Thomas Balhan, Denis Mairlot, geeft op 1-5-1739 het deel van zijn erfdeel van de laag van "La Xhilette" aan zijn broer Lambert Mairlot. Op 28-1-1740 geeft Jean-Baptiste Neuray zijn deel van de mijn, gereedschappen, en de hut van "La Hilette", ontstaan onder het land van Beyne, aan Michel Fraipont, op voorwaarde dat aan de eigenaren van "Onexhons" een overeenkomstige waarde van 50 écus wordt betaald, zoals overeengekomen is op 13-6-1739. Op zijn beurt zal Neuray het deel bewaken, dat hij destijds van Léonard Balhan heeft ontvangen, indien de eigenaren van "Hilette" het werk hervatten in de oude schacht in Beyne.

Halverwege de 18e eeuw vindt de totale verkoop en liquidatie van de mijn van "Zonnexhon" plaats en wordt een nieuw genootschap opgericht, die eigenaar wordt van de uitrusting en dan nog aanwezige schachten. Dit betekent tevens het einde van de directe betrokkenheid van de bedoelde familie Balhan in deze coöperatie.

Op 13-6-1739, nabij de hut van "La neuve houillère" of van "Onechons", gelegen in het land van Beyne, nabij de weg naar Verviers (of heet de weg soms "la chaussée de Verviers" ?) worden, na bekendmaking op 7-6-1739 tijdens de missen, in de kerk van Fléron door pastoor Godefroid Dubois, en in de kerk van Herve en Soiron, de complete uitrusting van de mijn van "Zonnexhon", genaamd "La neuve houillère" bij opbod verkocht door de eigenaren van genoemde mijn, die de meerderheid vormen voor hun genootschap, voor hun delen en een 80ste vrij/openstaand deel, te weten: Lambert de chession, priester en begunstigde voor hem en voor François Hubert, zijn zwager; Servais en Wathieu de chession, broers voor hen en voor Bartélemy Croctay en Ernest Cambresy, hun zwagers; de eerwaarde Jacques Lemoine, priester voor zijn moeder, de wed. Vincent Lemoine; Sébastien Nivar; Jean-Gilles en François Romsée voor hen en voor Léonard Dengis, hun zwager; Denis Mairlot, schoonzoon van wijlen Thomas Balhan voor hem en voor Marie Balhan, wed. van wijlen Laurent Collard; Jean de Saive, schoonzoon van genoemde Thomas Balhan, met hem Marie Balhan, echtgenote van Mathieu Michel Fraipont; Jean-Baptiste Neuray voor hem en zijn gevolg; Louis Lemoine; Nicolas Spiroux voor hem en voor Jean-François Blavier, zijn zwager; Gaspar Badrihaye voor hem en zijn gevolg; François Truillet voor de wed. Jean Truillet, zijn moeder; Catherine Renson, wed. van wijlen Jacques Truillet; Jean Pirotte; Pierre Riguelle voor zijn vader Gérard Riguelle "de oude"; Léonard Léonard en Henri Heuskin, zwagers voor hen en hen gevolg en voor de kinderen en schoonzonen van wijlen Henri Grégoire; Melchior Delsemme, vertegenwoordiger van Barnabé Truillet en Gérard Riguelle "de jonge" voor hem en voor Mathias Nizet, zijn oom.
Zij verkopen het "harnas" van voornoemde mijn, geschikt om door twee paarden te worden getrokken, hun hut, korven, gereedschappen, kettingen, uitrusting, hout, "tours" en coupes, op voorwaarde dat binnen twee maanden de betalingen zijn verricht, de hut wordt afgebroken en het hout, "harnas" en uitrusting is weggehaald. Het "harnas", de rôles, de bellefleur, de hut en de zware grote ketting van de grote schacht worden aanvankelijk voor de prijs van 300 Brabantse florijnen aangeboden en na verscheidene prijsverhogingen voor 350 Brabantse florijnen door Jean-Gilles Romsée verkregen.
Drie kettingen ( een van 26, een van 23 en een van 17 vadem ), 9 korven, 3 tours, 3 paar coupes, de ijzeren voorwerpen, al het gereedschap, het hout, "buses" en de rest van het oude ijzer, worden aanvankelijk voor de prijs van 100 Brabantse florijnen aangeboden, maar uiteindelijk voor 185 Brabantse florijnen door eerwaarde Jacques Lemoine verkregen.

Op 13-6-1739 verkoopt het genootschap van "Zonnexhon" bovendien aan haar "comparchonniers" Jean-Baptiste Neuray, Denis Mairlot, Marie Balhan, wed. van Laurent Collard, Jean de Saive en Marie Balhan, echtgenote van Mathieu Michel Fraipont, tegen de prijs van 200 Brabantse florijnen, binnen 5 jaar te betalen, de kleine schacht, genaamd "le bure d’airage" ( = luchtschacht ? ) met zijn kleine houtray en estechoment, op voorwaarde dat wanneer er geen gebruik meer van wordt gemaakt, deze schacht voor de helft op kosten van de verkopers en van de kopers wordt opgevuld.

Op 6-8-1739 geven Jean-Baptiste Neuray uit zijn naam en uit naam van zijn gevolg, kinderen, schoonzonen en vertegenwoordigers van wijlen Simon Neuray, Denis Mairlot, Jean de Saive en Mathieu Michel Fraipont, met hen Marie Balhan, wed. van Laurent Collard, deze vier laatste, kinderen, schoonzonen en vertegenwoordigers van wijlen Thomas Balhan, toestemming aan eerwaarde Jacques Lemoine, Jean-Gilles Romsée, Louis Lemoine, Nicolas en Barnabé Spiroux, de wed. Vincent Lemoine en andere nieuwe vennoten van de mijn van "Zonnexhon", om zonder hun voorafgaande convocatie met de werkzaamheden te beginnen een schacht uit te graven in het eigendom van Léonard, zn. van Denis Léonard in Beyne.

Op 21-9-1739, vóór het beëindigen van de graafwerkzaamheden van de nieuwe schacht in de grond van Léonard Léonard in Beyne en vóór aanvang van de ontginningswerkzaamheden uit de laag, vormen de eigenaren van "Zonnexhon", concluderend uit de namen van de voormalige eigenaars en het genootschap van nieuwe "comparchonniers" een nieuw genootschap, bij notariële akte ondertekend in het huis van Nicolas Spiroux in Bois-de-Breux. De aandelen in de mijn worden op de in de akte genoemde wijze verdeeld, waaronder:
- eerwaarde Jacques Lemoine, priester, zijn zoon voor een 32ste deel, overgedragen door Melchior Delsemme, een 16e deel afkomstig namens de kinderen en schoonzonen van Thomas Balhan en een 80ste deel afkomstig uit de overdracht van de wed. Charles le forgeron ( = de smid ? ) en François Cornet.
- Louis Lemoine namens Michel Lemoine voor een 32ste deel, afkomstig van de heren Chession en gevolge en namens vertegenwoordiger, genoemde Balhan.

Op 28-1-1740 geeft Jean-Baptiste Neuray zijn deel van de mijn, gereedschappen, en de hut van "La Hilette", ontstaan onder het land van Beyne, aan Michel Fraipont, op voorwaarde dat aan de eigenaren van "Onexhons" zijn deel, waard 50 écus wordt betaald, zoals overeengekomen op 13-6-1739; anderzijds, als de eigenaren van "Hilette" het werk hervatten in de oude schacht in Beyne, bewaakt Neuray het deel, op 17-11-1733 van Léonard Balhan ontvangen.


De aandelen van Baulduin Balhan

Baulduin Balhan heeft in ieder geval aandeel gehad in de mijnen van "Musinpreit" en "La Heid des Chênes" en Cowettes. Ontginning van steenkolen uit "La Heid des Chênes" nabij Fléron is volop bewezen vanaf de eerste helft van de 17e eeuw. De naam "Cowettes" werd vanaf de eerste helft van de 17e eeuw toegekend aan een steenkolenmijn, die zich gedurende de ontginningswerkzaamheden verplaatste om uiteindelijk bij het station van Beyne uit te komen.

Op 26-3-1637 kiezen Gilles Collard, Remacle Mairlot, Thomas Balhan en Lambert Bolsée voor een arbitrale beslissing inzake het geschil met de eigenaren van de mijn van "La Heid des Chênes" omtrent de steenkolen en "taroules", die zij hebben gedolven.

Hubert Frésart, eigenaar van de mijnen van "La Heid des Chênes" en "Musinpreit" spant een proces aan voor de commissie van toezicht van de steenkolenmijnen tegen zijn "comparchonniers", die weigeren een mijnschacht (=Xhoré) te onderhouden, gelegen in zijn weiland op een plaats genaamd "Musinpreit" onder Fléron. Zij hebben tegengesproken, dat deze "Xhorre" overbodig/nutteloos is geworden, omdat zij in december 1633 een lagere/diepere "Xhorre" hebben verworven van de eigenaren van Moulin-sous-Fléron. Via de arbitrale beslissing, waarvoor zij hebben gekozen, verklaren de twee arbiters Thomas Balhan en Henri Brocart op 17-1-1649, dat ter compensatie van de schade, die hij heeft geleden, Hubert Frésart in eigen voordeel ontginningen voort mag zetten uit de kleine ader/laag, genaamd "Des Marriere", gelegen onder een weiland van Servais de Magnée, en dit mag doen vanaf de open gang in deze kleine ader om de grote ader binnen te gaan en dat alle andere kosten voor rekening zijn van hun gezamenlijke genootschap.

In 1671 spant Henri Grégoire le Brasseur, wonende in Spineux, voor het hof van Jupille een proces aan betreffende de schade, die de eigenaren van de mijn "Cowettes" aan zijn bezittingen hebben veroorzaakt, maar die dit weigeren te erkennen. Na arbitrair ingrijpen van Jean Balhan, genomen in het huis van Thomas Fagard in Beyne, betalen Franck Collard, Henri Thomas Wathieu, Jacques Jean Jacques en Wathieu Thomas Jacques op 8-11-1671 namens hun "comparchonniers" van de mijn "Cowettes" 28 Brabantse florijnen aan Henri Grégoire le brasseur ( = brouwer ? ).

Op 10-2-1676 doen Marguerite, dr. van Thomas Wathieu, wed. van Mathieu Jean Gérard "de jonge" tegen betaling van 69 Brabantse florijnen en haar schoonzuster Isabeau Balhan, wed. van Vincent Thomas Wathieu tegen betaling van 60 Brabantse florijnen, afstand van een 36ste deel van de mijn "Cowettes", gelegen in Spineux in de parochie van Fléron, aan hun broer en zwager Henri Thomas Wathieu, wonende in het gehucht La Neuville.

Op 20-2-1676 vertrouwen Hubert Frésart, Everard Nizet, Henri Thomas Wathieu, Gilles Lebois, Jacques Orban, Mathieu Thomas Jacques, Pacquea Thomas Wathieu, Collard de Xhénemont, Wathieu Thomas Wathieu en Remacle Hubert Remacle, samengekomen in het huis van Everard Nizet in Fléron en eigenaren van de mijn "Musinpreit", op dat ogenblik gelegen onder een weiland van Everard Nizet, nabij het land van Beyne, de verdediging van hun zaak in het proces, dat zij voor de commissie van toezicht van de steenkolenmijnen voeren tegen Jean Balhan en tegen zijn "comparchonniers" van de mijn van "Coupay" en "Geufosse" , toe aan commissaris Raick. Op 11-3-1676 besluiten de eigenaren van de twee mijnen "Musinpreit" en "Coupay" hun conflict voor te leggen aan een arbitrage-commissie van vier deskundigen.

Op 8-5-1685 doen Hubert Frésart, Everard Nizet, Henri Thomas Wathieu, Remacle Hubert Remacle, Lambert de Xhénemont, Jean, zn. van Mathieu Thomas Jacques en andere "comparchonniers" van de mijn van "La Heid des Chênes" en "Musinpreit" afstand aan Bauduin Balhan, schoonzoon van wijlen Remacle Mairlot, van al hetgeen zij achterlaten boven het niveau van hun kleine ader, die zij vanaf de weide, genaamd "Musinpreit" tot aan een haag van Bauduin Balhan exploiteren. Terwijl Bauduin Balhan een schacht en een steenberg voor zijn rekening neemt en afstand doet van alle verdere schadeloosstellingen, doen zij tevens, tegen betaling van 16 Brabantse florijnen, afstand aan Bauduin Balhan, van een spoor(baan), gelegen nabij de weide van Jean Albert en die dienst doet voor het transport van hun kolen.

Op 28-5-1689 neemt Bauduin Balhan, schoonzoon van Remacle Mairlot en vertegenwoordiger van wijlen zijn zwager Jean Mairlot, tegen betaling van 36 Brabantse florijnen, de kosten van de schade voor zijn rekening, die is veroorzaakt aan een landerij van wijlen Jean Mairlot nabij La Neuville door een schacht, steenberg en spoor(baan) van Henri Thomas Wathieu, Everard Nizet, Jean Wérin, Jean Beaupain en andere "comparchonniers" van de mijn van "La Heid des Chénes" en "Musinpreit".

Op 4-5-1694 doet Marie Pacquea Wathieu, wed. van Jaspar Franck, woonachtig in La Neuville, tegen betaling van 32 Brabantse florijnen, afstand aan Baulduin Balhan van een 5e deel van een 16e deel van de mijn van "Musinpreit" en "La Heid des Chénes". Destijds verkocht men voor de prijs van 33 Brabantse florijnen een drachtige koe ( = vaars ).

Op 28-1-1696 eisen de eigenaren van de mijn "Cowettes" voor de schepenen van Jupille een verbod voor Baulduin Balhan en gevolg om uit de kleine schacht te ontginnen, die zij hebben uitgegraven in de grond van Baulduin Balhan, genaamd "La Massie ( = sale ) Veine", want deze behoort toe aan de winning van de "Cowettes", die hiervoor vergunning hebben.

Op 7-2-1696, in de hut van "Cowettes" gelegen in de "sart" van Jean Mathieu Truillet boven Prasseurieux, dragen de eigenaren van deze mijn hun "comparchonnier" Jean Jacques Truillet en voorspreker Jean Remy de Labye op zich tegen Baulduin Balhan en gevolg, die op "La Massie (Sale) Veine" aan het werk zijn, te verzetten.

Op 1-6-1696 doet Catherine Baulduin Balhan, wed. van Thomas Henri Wathieu, woonachtig in La Neuville, tegen betaling van 140 Brabantse florijnen, afstand van een 32ste deel van de mijn van "Musinpreit" en "La Heid des Chênes" aan de kanunnik van Molhain, Hubert Wérin, die zich tevens belast met het deel van de weduwe voor de kosten van een nieuwe schacht.

Op 23-2-1698, in het huis van de weduwe Henri Wathieu in La Neuville, dragen de eigenaren van de mijn "Cowettes", Jean Jacques Truillet, Jean Francket le clercq, Collard Franck Hanquet, Everard Nizet uit Faweux, Isabeau, wed. van Henri Wathieu, Barnabé Truillet "de jonge", Arnotte Baiwir, Catherine Balhan, wed. van Thomas Henri Wathieu, Marie voor haar moeder de wed. Franck Hanquet, Jean Henri Riga en Henri Herman, hun voorspreker Labye en hun "comparchonnier" Jean Leclercq op voor de schepenen van Luik in beroep te gaan in de zaak, die zij voeren tegen de eigenaren van de mijn "Gueldre".

Op 25-4-1699, in het huis van wed. Jean le forgeron ( = smid ? ) in Prasseurieux, woonachtig op Faweux, brengen Everard Nizet, woonachtig in (La) Faweux, Jean Francket Leclercq en Barnabé Truillet "de jonge" namens al hun "comparchonniers" van de mijn "Cowettes", gelegen in Prasseurieux nabij Beyne, in herinnering dat er meer dan 80 jaren eigenaren van deze mijn aan hen zijn voorafgegaan en deze de rechten hebben verkregen ontginningen te plegen uit de gewonnen aders (lagen), die zij hebben uitgegraven, te weten de laag van 9 poirées (= grepen ?), die van 3 tot 4 poirées, die van 6 poirées, die van 7 poirées, die van Stas Thiry en andere en dat zij daartoe verscheidene schachten hebben uitgegraven, elk met een diepte van 40 tot 45 vadem van elk 6 voet. Volgend op deze rij van schachten hebben zij tenslotte een schacht van circa 100 vadem diep uitgegraven in de weide van Jean Mathieu Truillet in Prasseurieux, niet ver van de "Xhorre" van de eigenaren van de "Gueldre", waarmee zij in proces gewikkeld zijn betreffende de ontginningen uit de laag van 6 poignées. Hun arbeiders Lambert Bauduin "de jonge" en Thomas Lebois, alsmede deskundige Gilles Balhan hebben hun getuigenverklaringen afgegeven dat de werkzaamheden zich op het niveau van deze laag in hun galerij afspelen.

In 1723 openen de eigenaren van de mijn "Cowettes" een schacht in een weiland in La Neuville toebehorend aan Gilles Balhan, schoonzoon van wijlen Jacques Urbain Truillet. Zij staan op het punt een gebied in te gaan, buurtschap "Boursoumarché", dat toebehoort aan wijlen Léonard Piron de Beyne en wiens aders (lagen) worden opgeeist door zijn opvolgers.

Het is nog niet bewezen of Baulduin Balhan ook belang heeft gehad in de mijn van Marganne en Barnabé. Wel wordt regelmatig gesproken over een Baulduin Balhan, overleden echtgenoot van Catherine Borre. Het is echter niet zeker of het hier dezelfde Baulduin Balhan betreft, danwel een van zijn nakomelingen of dat het hier om een heel andere Baulduin Balhan gaat. Nader onderzoek moet hierover uitsluitsel geven.

De bezittingen van Nicolas Barnabé worden op verschillende tijdstippen in drie delen onder zijn erfgenamen verdeeld. Op 2-5-1744 vindt een eerste verdeling plaats onder zijn ervende neven en nichten:
1. Gérard Gérardy ontvangt namens Pétronille de Saive, weduwe van Gérard Gérardy en destijds koopster van het deel van Henri de Saive, haar broer, ontvangt het eerste deel.
2. Elisabeth en Henri Lange ontvangen het tweede deel
3. Jacques Truillet en Catherine Borre, zijn zus van moederskant, ontvangen het derde deel
Een volgende verdeling vindt plaats op 21-5-1744 onder:
1. Jacques Truillet
2. Catherine Borre, weduwe van Baulduin Balhan. Op 6-6-1744 verpand zij, wonende in Queue-du-Bois, voor de griffier van Retinne, Jean Lambert Moreau, tegen een prijs van 500 Brabantse florijnen, drie kwarten van een negende deel van de steenkolenmijn van wijlen Nicolas Barnabé; twee van deze drie kwarten zijn verschuldigd om de verleende 500 Brabantse florijnen geleidelijk terug te betalen en het derde kwart om de rente te betalen.
3. Sébastien Varlet en zijn gevolg, kinderen en schoonzonen van wijlen Vincent Barnabé "de jonge" en Marie Lemoine, evenals Pierre Jacquemin en gevolg en de kinderen en schoonzoon van wijlen Vincent Barnabé "de oude", te weten Nicolas en Pierre Barnabé en Gilles Joseph Egrez.
Op 31-12-1744 verkrijgen de ervende neven en nichten ieder opnieuw een deel:
1. Henri Lange en zijn zuster Elisabeth Lange, wed. van Michel Mottet
2. Jacques Truillet en Catherine de Borre, wed. van Bauduin Balhan
3. Gérard Gérardy, namens zijn moeder, de weduwe Gérard Gérardy en haar broer Henri de Saive.

Op 30-12-1745 draagt Henri Lange, wonende achter de kerk van Fléron, zijn rechten van een zesde deel van de mijn genaamd "Nicolas Thone Barnabé" over aan de priester en kerkmeester van Fléron, Henri Daniel de Troisfontaines. Deze schenking bevalt de andere eigenaren van de mijn echter niet; de rekenmeester van de mijn, Henri Joeskin wordt opgedragen van dit deel, te weten dat van Gilles Gérardy voor de weduwe Gérard Gérardy, aandeelhouder van een 6e deel, dat van de weduwe Bauduin Balhan voor een 9e deel, dat van Olivier de Saive en zijn gevolg voor een 6e deel en dat van Pierre Jacquemin voor een 27ste deel, een akte van teruggave voor te leggen aan kerkmeester Troisfontaines. Deze opdracht tot teruggave wordt op 11-2-1746 gegeven. Elisabeth Lange, weduwe van Michel Mottet, ontvangt op 3-5-1746 het deel, dat op 27-4-1746 door de "comparchonniers" van kerkmeester Troisfontaines is teruggenomen, te weten door de broers Olivier, Henri en Melchior de Saive, Gérard Fléron, François Leclercq, Antoine Thiry, Wathieu Delcense en François Joyeux hun zwagers, Jacques de Saive, Catherine de Borre, wed. van Bauduin Balhan en Pierre Jacquemin.

Op 6-11-1747 delen Agnès Maquet, wonende te Beyne, en haar neef Pierre Jacquemin, wonende te Bellaire, in de bezittingen, verkregen uit de erfenis van hun neef Nicolas Barnabé en in datgene dat hen is afgestaan door Jacques Truillet en Catherine de Borre, weduwe van Bauduin Balhan.

Arnold Balhan, zoon van wijlen Bauduin Balhan en Catherine de Borre, biedt op 12-12-1748 voor de griffier en schepen van Retinne, Jean Lambert Moreau, zijn deel van een 27ste deel van de mijn van Nicolas Thone Barnabé, voor de prijs van 132 Brabantse florijnen te koop aan. Op 28-1-1749 verkoopt de griffier Jean Lambert Moreau, werkzaam namens Arnold Balhan en alle "comparchonniers" van de mijn "Nicolas Thone Barnabé" dit deel voor de afgesproken prijs aan Henri Joeskin, wonende nabij de kerk van Fléron

Op 13-6-1753 leggen verscheidene personen, waaronder Gilles Balhan een overeenkomst voor aan Olivier de Saive en Gérard Fléron, waarbij zij hun rechten op de mijn Barnabé, gelegen in Waoury, en op de steenkolen dichtbij de mijn, afstaan aan Olivier de Saive en Gérard Fléron. Voorwaarde hierbij is dat de schade veroorzaakt door deze mijn, door het opvullen van twee blinde schachten en het verwijderen van de grond, wordt vergoed en dat er maatregelen worden getroffen met meestermetselaar Gilles Debouny omtrent de omheining, die wordt afgebroken.Bovendien moet Gérard Fléron 172 florijnen en 2½ patars overhandigen, die hij heeft ontvangen bij de verkoop van steenkolen.

Het leven van de mijnwerker

Mijnbouw dateert reeds uit de prehistorie, toen de primitieve mens, zich nog onbewust van alle soorten mineralen en gesteenten, de natuur doorzocht naar materialen om zijn gebruiksvoorwerpen, gereedschappen en wapens te maken. Naarmate de mens sommige metalen, zoals goud, meteoorijzer en koper, beter leerde kennen en heeft leren bewerken, kreeg de mijnbouw steeds meer betekenis. Veel koperen gereedschap van de oude Egyptenaren, waarmee zij hun stenen van de graftombes houwden, zijn hiervan het bewijs. Zelfs de oude Grieken en Romeinen lieten hun ontginningen plegen door slaven, krijgsgevangenen en strafrechtelijk veroordeelden. Het meest bekend zijn de zilvermijnen van Laurium.
De Grieken spraken ook het eerst van kool, al zal hier waarschijnlijk "bruinkool" mee bedoeld zijn, aangezien in Griekenland geen steenkool voorkwam. De Romeinen daarentegen, zoals aangetoond bij opgravingen van de restanten van hen nederzettingen, moeten steenkool veelvuldig als fossiele brandstof hebben gebruikt.

Het zou echter tot het einde van de 12e en 13e eeuw duren, voordat in West-Europa de steenkool meer op de voorgrond ging treden. De abt Reinerus van de abdij St. Jacques uit Luik, maakte omstreeks 1200 melding van het gebruik van steenkool voor verwarming en door smeden. Albertus Magnus vermeldde in de 13e eeuw, dat in Luik kolen werden geëxploiteerd. Dit is ook niet verwonderlijk, aangezien het de periode was van de ontwikkeling van de messingindustrie in het Maasdal. Voor de bereiding van deze messing was uiteraard veel brandstof nodig, zodat er, waarschijnlijk door uitputting van andere brandstoffen, zoals hout, al gauw behoefte is ontstaan naar onder andere steenkool.

De kolenmijnbouw was in het midden van de 16e eeuw behalve in Luik en in Engeland nergens echt belangrijk. De kolenmijnbouwer had dan ook in Luik, mede door zijn grote vakmanschap, een groot aanzien. Een van de belangrijkste onder de Luikse gilden was "Le bon métier des houilleurs" met St. Leonard als beschermheilige en twee gekruiste hakken als embleem.
De steenkool van Luik was van zeer goede kwaliteit en werd in grote hoeveelheden geëxploiteerd en uitgevoerd, vooral naar Brabant en Holland.

Vanaf het begin van de 17e eeuw bloeide de glasblaaskunst sterk op, hetgeen aanleiding gaf tot een groei van het aantal mijnen in het Luikerbekken en de Belgische Borinage. Hen aantal nam sterk toe (70 tot 140), alsook de diepte van de mijnen. Door deze groei waren er echter ook bestuurlijke maatregelen nodig om de orde te handhaven en gewoonterecht bij wet te regelen.
Zo werd in 1668 het eerste en oudste mijnreglement en de eerste mijnwetgeving geboren toen de staten van Holland dit voor het land van Da(el)hem deden. In dergelijke reglementen werden veelal eigendoms- en waterafvoerkundige kwesties geregeld, alsmede de verhouding mijnwerkers - mijnontginners - grondeigenaren vastgelegd.

Vroeger moet in ieder geval kolenwinning heel primitief zijn geweest. Hakken, schoppen en kruiwagens waren de voornaamste gereedschappen.
Galerijen (doorgangen in de kool) werden gestut door het plaatsen van houtpijlers, die de deklaag droegen. In die tijd werd de kool soms naar de ingang van een galerij gebracht, zeker als een galerij vanuit een rivierwand was gedreven, en daar direct verhandeld.
Toen ontginning onder het niveau van het grondwater ging plaatsvinden, kon het water niet meer als voorheen langs de waterkanalen worden afgevoerd. Zo kwam de eerste simpele bemaling en de bouw van primitieve ophaalschachten op gang. De kolen werden veelal vervoerd in manden en naar de ophaalschachten gesleept. Met een touw haalden anderen de manden naar boven.

Het vak van mijnwerker of "kompel" was erg gevaarlijk. Er was altijd kans op een ontploffing, door mijngas, of een instorting. Toch hield dat de dappere mijnwerkers niet tegen de mijn in te gaan. En je moest heel goede longen hebben om steeds dieper de kool in te gaan. Vrij simpele luchtgaten naar de oppervlakten gaven de eerste mijnwerkers letterlijk meer lucht.

Omdat de opgravingswerkzaamheden zich niet alleen beperkten tot één bepaald gebied, moesten de mijnwerkers vaak overeenkomsten sluiten met de (groot)grondbezitters van de landerijen, om toestemming te krijgen uit hen grond ontginningen te plegen. Juridisch gezien, zelfs tot aan 1793, was een (groot)grondbezitter echter ook eigenaar van alles wat uit zijn grond werd opgegraven. Om te voorkomen, dat de grootgrondbezitter de greep op de kolenwinning en kolenafzet kon verstevigen, werden, veelal door de rijkere families, zogenaamde sociëteiten (of coöperaties) opgericht. Zo konden enerzijds individuele conflicten tussen de grootgrondbezitter en de mijnwerkers worden voorkomen en kon anderzijds de prijs van de steenkool in de hand worden gehouden. De coöperaties werden vaak genoemd naar de naam van de mijn of de naam van de streek waar deze mijn werd geexploiteerd.

Tekening van oude ambachten, de mijnwerker


     

© 1998 R.Balhan | Google Analytics | Onderhevig aan wijzigingen (laatst bijgewerkt 15 december 2011)