Fléron in de 17e en 18 eeuw

In de 16e en 17e eeuw speelt ons geslacht Balhan een belangrijke rol in het dagelijkse leven in het prinsbisdom Luik in België. Gedurende verschillende generaties hebben zij belangen in steenkolenmijnen en verwerven als zodanig een belangrijk aanzien in de streek waar zij woonachtig en werkzaam zijn.

De vele gebeurtenissen spelen zich hoofdzakelijk af in de streek ten zuid-oosten van de stad Luik. Middelpunt is Fléron, een klein dorp tussen Luik en Verviers. Maar ook de vele dorpjes en gehuchten in de directe omgeving van Fléron, zoals bijvoorbeeld Beyne-Heusay, La Neuville, Retinne, Bois de Breux, Bellaire en Jupille vormen een belangrijke schakel in hun dagelijkse belevenissen.
Mede door hun bekendheid en betrokkenheid bij de zorg voor de bewoners van deze streek verwerft één van hen, Jean Balhan, kleinzoon van Thomas Balhan, kapitein van Fléron, zich een positie als burgemeester van Ayeneux, een dorpje halverwege Fléron en Soumagne. Het is diezelfde Jean Balhan, die een van de, in de bronnen gevonden, familiewapens van een familie Balhan gaat voeren.


De geschiedenis van Fléron

Avouerie de Fléron
Avouerie de Fléron

Fléron is gelegen in de provincie Luik (België), ongeveer 10 km vanaf de stad Luik, op 248 m. hoogte (gemeten vlak voor de kerk) in het land van Herve.

Het dorp is ongeveer in de Xe eeuw ontstaan als gevolg van een volksverhuizing van bewoners van Jupille, die zich in de groene heuvels gingen vestigen. Fléron werd toen Flétherum genoemd en was destijds gelegen nabij een Werixhet of Wérixhas. Veel dorpen hadden een dergelijke Werixhet, een openbare plek, onbebouwd, waar de dorpsbewoners zich verzamelden voor de openlijke en alledaagse levenshandelingen. Zo’n plek werd vaak opgesierd door grote lindebomen.

Werixhet de Fléron (1912)
Werixhet de Fléron (1912)

Vanaf de XIIe eeuw werd, naast de parochie van Chênée, de parochie Fléron gesticht, omvattende de grondgebieden van de huidige gemeenschappen Fléron, Queue-du-Bois, Retinne en Magnée. Daarnaast maakten ook het grondgebied van de voormalige gemeenschap Parfondvaux (thans samengevoegd met Saive), Troîs-Chênes, Riessonsart en de voormalige gemeenschappen Beyne en La Neuville deel uit van de parochie van Fléron.

Fléron was verdeeld in twee delen. Het eerste behoorde toe aan het vorstendom Luik, zijnde het dorp. Het andere deel, 4 of 5 huizen, maar ook enkele andere gemeenschappen, behoorde bij de
"Avouerie de Fléron" en viel onder jurisdictie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Aix-la-Chapelle. Hoewel de "Avouerie de Fléron", haar naam vooral dankte aan het feit, dat het gerechtshof van het gebied zetelde in Fléron, werd soms ook wel de naam "Avouerie de Notre-Dame d’Aix" gebruikt, omdat het gebied ook tot de heerlijkheid van de kanunikken van Aix behoorde.
In de 17e eeuw heeft de kerk van Aix ernstige geschillen met (leen)heer Jean de Ruyssemberg gehad, die beweerde dat zijn kasteel behoorde tot het feodale hof van Dalhem (graaf van Argenteau) en dat dit ook zou gelden voor de "Avouerie". Van 1607 tot 1629 vonden er gevechten plaats tussen de bewoners van Luik en genoemde Ruyssemberg. De vorsten van de Nederlanden hielden echter vast aan hen voornemen, de afhankelijkheid van de "Avouerie de Fléron" van Dalhem te handhaven. In 1661 wees het verdrag van verdeling Dalhem toe aan Holland en het was niet eerder dan in 1671, dat Holland afstand deed van deze rechten van souvereiniteit aan de "Avouerie van Fléron".
Volgens een handschrift uit 1620 werd de grens van de Avouerie, aan de kant van Luik, voorgesteld door een denkbeeldige lijn vanaf de kerk van Chênée, naar Retinne, langs de kerk van Fléron. Vanaf Retinne boog de grens scherp af in een rechte lijn in de richting van Les Marets, maar ter hoogte van Pansery liep zij kronkelig door naar José. Buiten Rocher de Chèvremont (dat destijds dienst deed als plaats van lijfstraffen), omvatte de Avouerie dorpen als Vaux-sous-Chèvremont met 25 huizen, een kerk en een klein deel van Chênée; Chaumont met 4 huizen; Romsée met 19 huizen; Fléron, een kerk met 4 of 5 huizen; Hotteux met 6 huizen; Riessonsart met 12 huizen; Ayeneux met 24 huizen; Les Marets met 12 huizen; Wégimont; Badrihaye, 2 huizen; Troîs-Chênes, 4 huizen; Foxhalles, 4 huizen; Retinne, 7 huizen; Perfoncheval (Parfondvaux-Saive), 1 huis en José met 50 huizen. Daarnaast nog uitgebreid met een afzonderlijk gebied, omvattende Vaux-sous-Olne met 25 huizen.

In 1649, na de vrede van Münster, hebben de inwoners van Fléron zich willen verzetten tegen de inval van de Duitse troepen, die onder leiding van generaal Spaer, door de prinsbisschop waren ontboden om de orde in het prinsendom te herstellen. Zij konden echter niet voorkomen dat het dorp werd bezet en door brand werd verwoest.
Ook in de jaren daarna, vooral in de periode tussen 1670 en 1700, hebben de bewoners van Fléron veel te maken gehad met "ongewenste" bezoekers, soldaten die gedurende de vele oorlogen al plunderend en vernietigend door het dorp trokken. Vooral de kerk en het kerkhof hebben hiervan veel te leiden gehad.

L'église Saint Denis in Fleron (1906) L'église Saint Denis in Fleron (1906, interieur)
L'église Saint Denis in Fleron (1906, exterieur en interieur)

Om het zilverwerk van de kerk en de relikwieën van de eredienst tegen al deze diefstallen en vernielingen te beschermen had men in de stad Luik een kamer gehuurd, waarin alle kostbaarheden verborgen werden. Een dag of twee voor iedere processie en iedere grote plechtigheid maakte iemand een reis naar Luik om deze op te halen. Aan het einde van de plechtigheid haastte men zich weer om alles terug naar Luik te brengen.

In 1674 waren het de Duitsers, die hun kamp opsloegen op het kerkhof, zich in de kerk installeerden, en zich niets aantrokken van pastoor Henri Dardenne, die vond dat zij het huis van God niet mochten schenden, noch mochten verontreinigen of plunderen.
In 1678 waren het de Fransen, die zich in de omstreken van Fléron ophielden. Men werd beroofd van alle bezittingen en een ieder, die naar Luik wilde gaan om nieuwe spullen aan te schaffen werd door de Fransen tegengehouden. Er was weliswaar in ieder huis een schuilplaats, waar men kostbaarheden en de opbrengst van de arbeid bewaarden, maar men kon toch niet voorkomen dat deze door de soldaten werden ontdekt. Een lange periode van armoede en ellende, met bedreigingen en geweld, was het gevolg.
In 1689, in maart, was de beurt aan de Hollanders. Zij legerden drie nachten op het kerkhof en bezetten eveneens de kerk van Fléron. De schade, die zij aanrichtten viel echter in het niet bij die van de Duitse inval.
In 1691 werd Luik beschoten door de Fransen, maar werd ook de klok van de kerk van Fléron getroffen.
De Hollanders en de Fransen keerden in 1694 nog eenmaal terug in het dorp en verwoestten de deur van de kerk. Drie jaar later kwamen de Duitsers wederom op doortocht, een spoor van vernielingen en ellende achterlatend.

Tijdlijn 1600-1799

Vanaf 1620

1623 In mei 1623 wordt in Fléron gedoopt Marie, dr van Antoine de Waoury. Deze Marie wordt voor Thomas Bastin dit Balhan (P) en Elisabeth, echtgenote van Jean (?) Bauduin (M) ontvangen en heeft later een relatie met Antoine Bertholet, waaruit een onwettige zn Jean Bertholet dit Henus wordt geboren.
1629 Op 25-1-1629 tekent Jean Balhan, samen met een aantal anderen, zijn goedkeuring voor al hetgeen de parochianen van Fléron verschuldigd zijn te betalen per 15-1-1629. Zij dragen de rechten van 30 in beslag genomen bonniers over aan kapitein Romsée, behalve het deel dat weer verkocht is aan de parochianen van Fléron in het gedeelte van het bos dat wederrechtelijk werd toegeëigend.
Op 4-2-1629 is in Fléron, Jehenne, dr. van Balhan uit Fléron, peettante bij de doop van Martine, dr. van Jean Beaujean, af en toe ook Thonnar genoemd, en Ailid (of ook Aléide), dr. van Jacques Pacquea. Peetoom is Mathieu Jean Gérard.

Vanaf 1630

1632 Op 2-5-1632 is in Fléron, Magritte Balhan, samen met koopman Mathieu Brocart en Gelette dr. van hierna genoemde Pierre Bolland, getuige bij het huwelijk van Rigauld Leroy, parochiaan van Soumagne, en Magritte dr. van Pierre Bolland dit Suty de Fléron.
1633 Op 29-10-1633 ontvoogt Jeanne uit naam van haar "gebrekkige" echtgenoot Jean Balhan haar kinderen Gilles en Bauduin. zij wonen in Justreuhaye tussen Beyne en Fléron.
1636 Op 27-3-1636 is, in Fléron, Elisabeth. dr. van Thomas Balhan peettante bij de doop van Elisabeth, dr. van Jean Bauduin dit de Spineux en Agnès, dr. van Thone Renotte. Peetoom is Thomas, zn. van Jean Baulduin "de oude".
1637 Op 6-12-1637 is in Fléron Thomas Balhan als peetoom en Jeanne, dr. van Antoine Collette als peettante getuige bij de doop van Anne, dr. van Denis Franckotte en Reine Antoine Collette van Wailhourieu.

Vanaf 1640

1641 Op 31-5-1641 ontvoogt Thomas, zn. van Jean Bastin dit Balhan zijn zonen Léonard, Jean en Thomas.
1643 Ten gevolge van een verdeling tussen de parochies van Jupille, Saive en Fléron, lenen Jean de Bouillienne, Jean Terff, Jean Bruyn, Hubert Frésart namens zijn echtgenote wed. Jean Franck de Wérixhas, Berthelmy Leroy en Lambert de Magnée, namens de gemeenschap Fléron, 450 patacons van de leenheer van Wasoule, Guillaume; na een schikking van de burgemeesters, destijds in functie, hebben zij het geld van de aflossingen overhandigd aan burgemeester Beeckman, maar deze zijn, ondanks een ontvangstbewijs getekend door sindic Fleuris de Verviers, verloren gegaan. Nadien wordt, ten overstaan van de schepenen van Luik, een proces gevoerd tussen deze vertegenwoordigers van de gemeenschap Fléron en de andere inwoners van deze gemeenschap, te weten: Jean Colla Collinet, Léonard de Lincé, Thomas Balhan, Henri Demont, Melchior Leclercq, Hubert Massart names wed. Pirotte Massart zijn moeder en Gillet Balhan. Teneinde goede vrienden te blijven en alle onenigheden en twisten te sussen, door tussenkomst en bemiddeling van de gegoede lui (Afin de demeurer bons amis et d’assoupir toutes querelles et disputes, par l’entremise et inter cession de gens de bien), tekenen de partijen ten overstaan van notaris H. Brocart op 23-11-1643 een overeenkomst, die op 23-12-1643 wordt ingeschreven in het gerechtshof van Jupille. Van de 600 florijnen, die de vertegenwoordigers van de gemeenschap Fléron verschuldigd zijn, neemt het dorp Fléron een betaling van 420 Brabantse florijnen voor haar rekening en doen daarmee, ten gunst van de vertegenwoordigers, afstand van een totale rente van 27 florijnen en 12½ patars, verschuldigd aan de gemeenschap Fléron voor de overdracht van de stukken aisemence door de volgende personen: Jean Denis Louis voor 2 daller, de wed. Jean Bastin dit Balhan en consorten voor 1½ daller, Jean Le Cutray voor de helft van 10¾ daller, Lambert Pénulle voor 4 Luikse florijnen, Bastin de Bouharmont voor 11½ Brabantse florijnen of 46 Luikse florijnen en Jean le berger ( = de herder ? ), voor 30 Luikse florijnen. Deze overeenkomst wordt aanvankelijk in het huis van Thomas Balhan in Fléron getekend en wordt vervolgens bekend gemaakt op de stille mis en op de hoogmis, opgedragen in de kerk van Fléron op 29-11-1643 door Adam Dardenne, de persoon die daar niet zo zeer op tegen was, maar die meedeelt dat de inwoners van het dorp Fléron hun recht behouden de andere dorpen van de parochie te dwingen hun deel van de 450 patacon te betalen.
Naar aanleiding van het akkoord van 23-11-1643, is een rente van 7 florijnen en 10¾ patars verschuldigd voor de aisemences overgedragen door de gemeenschap Fléron, die wordt verdeeld tussen Jean Collard Collinet, Léonard de Lincé en Thomas Balhan en gevolg enerzijds, en Jean de Bouillienne "de jonge", Hubert Frésart, Denis Bonjean "de jonge" en zijn broer Franck, Lambert de Magnée en gevolg, Jean Bruyn, Servais de Magnée namens de wed. Piron Lambinon, Jean, zn. van Englebert de Wérixhas namens de erfgenamen van Franck Englebert de Wérixhas, Baulduin Spirlet namens de wed. Franck Mathy de Wérixhas, Laurent namens zijn vader Gillet Collard, Berthelmy Leroy en gevolg, Jean Terff en Frambach de Boullienne namens zijn moeder, de wed. Gérard de Bouillienne anderzijds. De laatsten zullen aan de eersten een hoofdsom verschuldigd zijn van 15° denier van de rente van 26 aidants. Dit akkoord tussen beide partijen wordt op 8-12-1643, voor notaris H. Brocart, in het huis van Thomas Balhan in Fléron getekend en op 23-12-1643 voor het hof van tenants in de kerk van Fléron ingeschreven.
1644 Françoise, dr. van Louis Lambinon en Marguerite N. tr. voor de 1e maal met Jean de Magnée, waarvan:
1. Noël de Magnée
2. een dochter, die tr. met Thomas Balhan
3. een dochter, die tr. met Léonard Renotte
Zij tr. voor de 2e maal met Henri Boulanger, ovl. voor 14-11-1644, waarvan zij drie zonen kreeg.
Overigens komen in dit artikel nog meer interessante namen voor, die elders in de genealogie Balhan opduiken, zoals Lambinon, de Geer, Mairlot, Gilman.
1647 Op 3-4-1647 is in Fléron, Gilles Balhan peetoom bij de doop van Catherine, dr. van Jean Laurent de Wégimont en Isabeau de Laval. Peettante is Anne, dr. van Laurent Caillieux (?).
Op 12-5-1647 wordt op een hofvergadering van de gemeenschap, die samenkomt in "La Bossine", en in het bijzijn van o.a. Thomas Balhan, de regeling m.b.t. L’aisemence de la Bossine van 25-1-1629 enigszins bijgesteld.
Op 22-11-1647 is in Fléron Thomas Balhan samen met Baulduin Laurent getuige bij het huwelijk van Marie, dr. van Bastin van Soumagne en Pierre Baudon.
1649 Op 21-3-1649 is in Fléron, Léonard Balhan, zn. van Thomas Balhan, peetoom bij de doop van Marie, dr. van Jean Laurent de Wégimont en Isabeau de Laval. Peettante is Jeanne, echtgenote van Michel Jean le Rouffin.

Vanaf 1650

1651 Op 2-7-1651 is in Fléron, Jean, zn. van Thomas Balhan, peetoom bij de doop van Laurent, zn. van Jean Laurent de Wégimont en Isabeau de Laval. Peettante is Anne, dr. van Jacques Collard.
1653 Op 13-6-1653 wordt door broeder Jean Mathot, geestelijke van de "Pères Carmes" in Luik, en met toestemming van Pater Gabriel van de Maria-boodschap, algemeen betaalmeester, 6 francs rente en 25 sols gegeven aan het klooster van Wégimont, vertegenwoordigd door Léonard Brabant, burger uit Luik. Deze rente, verschuldigd door Balhan uit Fléron voor une maison proche du barbeau, gelegen tussen twee bruggen, is afkomstig van Marie Mathot, woonachtig in Delft (Holland), die op 7-9-1651 voor notaris André Brockar, haar broer, karmeliet Jean Mathot, volmacht heeft gegeven hier naar eigen goeddunken over te beschikken. De 25 sols waren verschuldigd door een bakker.
1655 Op 7-7-1655 is in de kapel van Beyne, Jean zn. van Thomas Balhan, kapitein van Fléron, en Mathieu, zn. van Colleye de Surfosse, getuige bij het huwelijk van Jeanne, ged. Fléron, dr. van Paul de Rassenfosse en Isabeau Bonjean en Jean, zn. van Orban Jacques.
1656 Op donderdag 23-3-1656, om 9 uur, wordt door de gemeenschap Fléron, vertegenwoordigd door o.a. pastoor Henri Dardenne en Gillet Balhan, in het huis van Fassin Bruyn, een bonnier de l’aisemence de Browson, in het oosten ingesloten door de weg van Romsée naar Elheur en Magnée, en in het noorden door de weg van Browson, publiekelijk geveild voor een pacht van 50 jaar berekend vanaf 7-5-1656.
1657 Op 7-6-1657 is, in Fléron, Jean zn van Thomas Balhan, samen met kerkmeester Mathieu Leclercq, Catherine dr van Arnold Mousset en Jeanne dr van Laurent de Gueldre van Heuseux, getuige bij het huwelijk van Gilles Massar en Jeanne dr van Wuillaume le Corbesier.
1659 Op 21-10-1659 is, in Fléron, Jean Balhan, samen met kerkmeester Melchior Leclercq, gertrude dr van Barthélemy de Fraipont en Catherine dr van Arnould Mousset, getuige bij het huwelijk van Jacques, zn van Paulus Andrian en Catherine Pirson Pacquea Fassin met Marguerite dr van Jean Massar.
Op 4-11-1659 tr. Jean Balhan met Catherine, ged. Fléron 22-7-1637 in het bijzijn van Hadelin Delmotte (P) en Marie, dr. van Guillaume Pierre Guiot (M), dr. van Ernould dit le jeune Mousset en Anne, dr. van Piron Guiot (die tr. Fléron 21-10-1632).

Vanaf 1660

1660 Op 11 en 16-2-1660 verlengen o.a. Léonard Balhan, Gillet Balhan en de weduwe van Thomas Balhan, een volmacht, die ontvanger Grégoire Harzé voor onbepaalde tijd heeft gekregen om het beheer te voeren over de gezamenlijke inkomsten van de vier parochies, Jupille, Chênée, Fléron en Saint-Remacle-au-Pont, die voortkomen uit een gedeelte van Bois-de-Breux en Bellaire. Overeenkomstig een besluit van 18-3-1618 met de Prins-biscchop wordt het de inwoners van de vier parochies toegestaan te beschikken over een gedeelte van Bois-de-Breux en Bellaire, dat de naam heeft gekregen wederrechtelijk te zijn toegeëigend. In de parochie van Fléron zijn de gemeenschappen Retinne en Troischênes uiteraard uitgesloten van deze inkomsten, aangezien zij tot de heerlijkheid van Retinne behoren.
Op 26-11-1660 is in Chênée Catherine, dr. van Thomas Balhan uit Fléron, peettante bij de doop van Isabeau, dr. van Léonard Renotte en Marguerite Bauduin Jean Bauduin. Peetoom is Bauduin Jean Bauduin.
1661 Op 27-4-1661 zijn Thomas Balhan (P) en Barbe, echtgenote van Paulus Tosset (M), in Fléron, getuigen bij de doop Thomas, zn. van Thomas Hanquet en (Pentecôte) Paulus.
Op 5-6-1661 zijn Jean Thomas Balhan (P) en Anne Fléron, echtgenote van Henri Melchior Leclercq (M), in Fléron, getuigen bij de doop van een anonieme dochter, maar vermoedelijk met de naam Marguerite, van Piron Fléron dit le Charlier en Adrianne, dr. van de "meier" van Soiron, Nicolas Dufays.
1664 Op 2-6-1664 zijn Gilles Balhan (P) en Marie, dr. van Piron Bastin (M) getuigen bij de doop van Gertrude, dr. van Denis Le Charlier en Marie Bonjean.
1666 Op 20-1-1666 is, in Fléron, Thomas Balhan peetoom bij de doop van Anne, dr. van André Colson en Héluy, dr. van Jean Collin Le Kaison. Peettante is Anne Jean Pirotte, echtgenote van Henri Jean Collin.
Op 13-5-1666 is in Fléron Jean Balhan, zn. van Gilles Balhan, samen met Jean, zn. van Baulduin Gilman, Jehenne, dr. van Lambert de Magnée en Anne, dr. van Servais de Magnée, getuige bij het huwelijk van Baulduin Truillet, zn. van Michel en Bastiane Gilman met Jehenne, dr. van Servais de Magnée.
1668 Op 29-7-1668 is in Fléron, Marie, dr. van wijlen Thomas Balhan, samen met Bertholet, zn. van wijlen Jean de Magnée, Lambert, zn. van Lambert de Magnée en Anne, dr. van Servais de Magnée, getuige bij het huwelijk van Denis, zn. van Guillaume de Falhé, parochiaan van Chênée en Jehenne, dr. van Lambert de Magnée en Jeanne de Bolland.
Op 29-7-1668 is in Fléron, Jean Gillet Balhan, samen met koopman Melchior Leclercq, Barthélemy Mornard, en Denis Charlier, getuige bij het huwelijk van Anne Marguerite Gilman, dr. van Bauduin Gilman en Françoise de Bouillienne en Nicolas, zn. van Lambert de Magnée.
1669 Op 10-2-1669 tr. in Cesse, Meuse (F) Magdelaine Balhan met François Ponsin
Aan het eind van 1666 of aan het begin van 1667 heeft Jean Balhan zijn brassine (eetcafe, bierhuis, brouwerij ?) en bakkerij, gebouwd op l’aisemence genaamd "Le Baty proche de Bouillienne". De landmeter Jean Rahier berekent dat deze aisemence 9 kleine roeden omvat. Op 11-11-1669 voegen de commiezen van het dorp Fléron, Jamin de Wérixhas en Jean Niset, hier 1 grote roede aan toe en dragen alles over aan Jean Balhan tegen de prijs van 60 dallers per bonnier, dat wil zeggen voor 36 florijnen en 18 patars, die terstond betaald moet worden ten bate van de met pest besmette en doodverklaarden in Fléron.
Op 4-12-1669 is in Fléron Jean Balhan als peetoom en Marie Madeleine dr. van Baulduin Gilman als peettante aanwezig bij de doop van Françoise, dr. van Henri Beyne en Marie, dr. van Baulduin Gilman.

Vanaf 1670

1670 Op 5-9-1670 is in Fléron Catherine de Mousset, echtgenote van Jean Balhan als peettante en Jean Bouillienne als peetoom aanwezig bij de doop van Denis, zn. van Pierre Beyne en Jehenne Dor.
1671 Op 26-11-1671 zijn Jean, zn. van wijlen Baulduin Balhan (P) en Marie Brocart, wed. van Remacle Maket (M) getuigen bij de doop van Remacle, zn. van Ernotte Collard (Arnotte) Baiwir [54] en Marie Remacle Macket [53].
1672 Op 4-2-1672 is in Fléron, Jean, zn. van Gilles Balhan, samen met Wilhem, zn. van wijlen Laurent Colson "de jonge", Marie Thomas Balhan, wed. van Gillet Jean Gillet Leclercq en Idelette, dr. van wijlen Jean Louis Lambinon, getuige bij het huwelijk van Louis, zn. van wijlen Louis Lambinon en Anne, ged. Fléron 25-2-1647, dr. van Lambert de Magnée en Jeanne de Bolland. Dit huwelijk wordt met dispensatie wegens een 4e graads bloedverwantschap voltrokken.
1673 Op 13-8-1673 is in Fléron, Marie Balhan wed. van Gilles Leclercq, samen met Jehenne Balhan, wed. van Colley Thonnar, Jourdan zn. van Jourdan Leclercq en Gertrude dr. van Hubert Fléron, getuige bij het huwelijk van Henri, zn. van Henri Leroy dit Godar en Anne Henri le Ha... met Catherine dr. van Collas Cleveur.
1674 Op 2-4-1674 is, in Fléron, Marguerite dr van wijlen Baulduin Balhan peettante bij de doop van Cornet, zn. van Antoine Cornet Demolin en Isabeau Jean Bauduin. Peetoom is Thomas zn. van Henri Thomas Wathy.
Op 4-6-1674 is, in Fléron, Marguerite dr van wijlen Baulduin Balhan peettante bij de doop van Anne, dr. van Jean Demolin en Anne dr van wijlen Thomas Collard. Peetoom is Hubert, zn. van Jacques Jean Jacques.
Op 26-12-1674 verleent Jean Balhan, samen met vele andere leden van L’escadre (=bataljon bij cavalerie?) van Tiege, toestemming aan Jean Massart en Franck Spirlet, om namens de gemeenschappen Fléron en Moulin, een lening aan te gaan, teneinde de schuldenlast af te lossen waarin de gemeenschappen Fléron en Moulin zich, net als de gemeenschappen Romsée en Magnée, tijdens de Hollandse oorlog hebben gestoken. De voorwaarden van deze lening zijn gelijk aan die van andere escadres, zoals vastgelegd, en worden bij volmacht overeengekomen in het huis van notaris Wathieu Leclercq en in het bijzijn van getuigen Piron Bolsée en Laurent Colson "de jonge".
1675 Op 15-2-1675 doopt een Marguerite Balhan, vroedvrouw, het onwettige kind genaamd Marguerite, dr. van Martin Laurent Hanquet en Anne, dr. van wijlen Gilles Thone Renotte, ontvangen voor Guillaume, zn. van wijlen Adam Dardenne (P) en Marie Beaufort, echtgenote van Jean Toussaint (M).
Op 14-4-1675 zijn Marguerite, dr. van wijlen Bauduin Balhan (M), Jehenne, dr. van Hubert Remacle Macket (M), Gilles, zn. van Gilles Jean Léonard (P) en leonard, zn. van wijlen Léonard Varlet (P) getuigen bij de doop van de tweeling Olivier en Dieudonné, zn. en dr. van Ernotte Collard (Arnotte) Baiwir [54] en Marie Remacle Macket [53].
Op 17-4-1675 besluiten de burgemeesters van Fléron, Jean de Bouillienne (op 30-11-1671 gekozen en op 31-12-1672 herkozen) en de burgemeester van Moulin, Baulduin, zn. van Gillet Gilman (op 31-12-1672 verkozen als opvolger van Jamin de Wérixhas), een smeekschrift te richten aan de Prins-bisschop en zijn rekenkamer, om toekenning en toestemming te krijgen afstand te doen van verscheidene stukken aisemence behorende tot de gemeenschappen Fléron en Moulin, en deze publiekelijk te verkopen; de dorpen Fléron en Moulin vormden van toen af aan geen gezamenlijke gemeenschap meer. Wegens een ‘toenmalige samenloop van omstandigheden en de armoede en verval’ was het onmogelijk om zilver te vinden; maar zij hebben er dringend behoefte aan, dat de kosten worden betaald, veroorzaakt ‘door het volksleger, die geplaatst in Fléron, op bevel van de Prins-bisschop en zijn burgemeester van Luik ter beveiliging hun kwartieren van de ettelijke onlusten moesten vrijwaren’. Zij willen ook een som uittrekken ter voldoening van de achterstallige rentes, die zij verschuldigd zijn voor hun deel van de opbrengsten van Bois de Breux. Om hun verzoek kracht bij te zetten, gaan zij van huis tot huis om goedkeuring te krijgen van de inwoners. Naast vele handtekeningen op 17-4-1675 en 25-4-1675 ontvangen de bestuurders op 26-4-1675 ook de handtekeningen van o.a. Gillet Balhan en Jean Balhan.
De eerste lening vindt plaats op 5-6-1675, wanneer voor notaris Jean Pierre Patron, de burgemeesters van Fléron en Moulin, Jean de Bouillienne en Baulduin, zn. van Gillet Gilman, 800 Brabantse florijnen ontvangen van Laurent Ghysen, die tegen een jaarlijkse rente van 40 Brabantse florijnen moet worden terugbetaald (aflossing op 20-12-1745). Deze lening is, gezien de zeer dringende noodzaak (vu les nécessités très urgentes) aanvankelijk aangegaan door de twee burgemeesters, uit naam van hun personeel, maar wordt vanaf 6-6-1675 door het appartement Fléron en vanaf 7-6-1675 door het appartement Moulin-sous-Fléron, bekrachtigd. Bij deze vergaderingen stemmen de surcéants zelfs toe een tweede lening aan te gaan, eveneens groot 800 Brabantse florijnen, zodat men op een totaalbedrag van 1600 Brabantse florijnen uitkomt. Het appartement Fléron komt de 6e juni samen in het huis van Jean Olivier de Saive, op Wérixhas van Fléron en op de réal weg naar Tiege. Hier wordt de lening bekrachtigd in het bijzijn van o.a. Jean voor zijn vader Gilles Balhan en Thomas Balhan. De lening van de 7e juni wordt, na eerste goedkeuring door de surcéants van Moulin, op 27-10-1675 nogmaals goedgekeurd door de schepen van Fléron Baulduin Gilman, Jean Balhan, Bartholomé le Boulanger, Michel Simar ( = Grandry) en de weduwe van Laurent Colson. Dit in het bijzijn van getuigen Mathieu Minon en Jean Thonnard.
Op 22-9-1675 benoemen de drie escadres van het appartement Fléron ieder twee personen om de rekeningen van de burgemeesters te controleren en te zorgen dat zij aangespoord worden hen bijdragen te voldoen. L’escadre van Tiege komt samen in het huis van Baulduin, zn. van Gillet Gilman, in Tiege, en in het bijzijn van Stas ( = Eustache) de Bouillienne en van Thomas, zn. van Henri de Cerexhe. Zij kiezen Jean Balhan en Colson, zn. van Laurent Colson. L’escadre van Wérixhas komt samen in het huis van Jamin de Wérixhas en dragen Jourdan Leclercq en Denis Bonjean voor. L’escadre van "La Heid des Chênes", waaronder Thomas Balhan, komt samen in het huis van Jean Olivier de Saive, gelegen tegenover de kerk van Fléron en benoemen Everard Niset en Jacques Olivier. L’escadre van Moulin-sous-Fléron kiezen op 23-9-1675 voor Laurent Collard en Jacques Jean Jacques. De afwezigen op deze vergaderingen wordt gevraagd hen mening te geven en verantwoordelijkheid te dragen voor dit advies, dat zal worden bekendgemaakt tijdens de preek van de misviering op zondag 30-9-1675 door pastoor Henri Dardenne in de kerk van Fléron.
Op 28-10-1675 wordt een tweede lening van 800 Brabantse florijnen en tegen een jaarlijkse rente van 40 Brabantse florijnen, tegelijkertijd aangegaan door de gemeenschappen van Fléron en Moulin, vertegenwoordigd door haar burgemeester Baulduin Gillet Gilman en door de kapitein van Fléron, Jean de Bouillienne, en door de gemeenschappen Beyne en La Neuville, vertegenwoordigd door hun burgemeesters Henri Leclercq en Henri, zn. van Thomas Wathieu.
Op 22-12-1675, gevolg gevend aan een lastgeving die hen door de gemeenschappen Fléron en Beyne zijn opgelegd, dragen Jordan Leclercq, Denis Bonjean, Everard Niset, Jacques Olivier, Jean Balhan, Colson Laurent Colson, Laurent Colla, Jacques Jean Jacques en Henri, zn. van Thomas Wathy de heer Henrard, destijds burgemeester van Herve, op zich naar de rentmeester van Ruremonde te begeven en met hem te onderhandelen over de rantsoenen die hij voornemens is te heffen bij de gemeenschappen Fléron en Beyne.
1676 Op 17-1-1676 is, in Fléron, Catherine dr van wijlen Baulduin Balhan peettante bij de doop van Thomas, zn. van Mathieu Thomas Jacques en Anne, dr. van Jean Bertholet dit Henus. Peetoom is Jean, zn. van Jacques Bertholet dit Henus.
Op 4-3-1676 is in Fléron, Jean, zn. van wijlen Baulduin Balhan, peetoom bij de doop van Henri, zn. van Henri Albert, ged. Fléron 19-1-1641 en Isabeau, dr. van Thomas Jacques Truillet. Peettante is Marie, dr. van Mathieu Thomas Jacques.
De vier escadres van de gemeenschap komen tegen het einde van maart 1676 wederom bijeen teneinde hen commiezen volmacht te geven de problemen op te lossen, die zich voordoen bij betalingen en schadeloosstellingen van de aan de militairen verstrekte rantsoenen en om (daarvoor) nieuwe leningen aan te gaan. L’escadre van "La Heid des Chênes" komt op 27-3-1676 samen in het huis van Jean Olivier de Saive, nabij de kerk van Fléron. Everard Niset en Jacques Olivier ontvangen deze volmacht namens o.a. Jean, uit naam van zijn vader Gilles Balhan, Thomas Balhan, Marie Balhan, wed. van Gilles Leclercq en Piron Bolsée. In de middag van 30-3-1676 ontvangen Jean Balhan en Colson Laurent Colson volmacht namens l’escadre van Tiege. Deze volmachten worden op 25-5-1676 nogmaals goedgekeurd door de kanunnik van Saint-Paul in Luik, François de Liverloz.
De belastingen, geheven op de steenkolenhandel uit de buitenwijken, dienende ter reparatie van de (straat)wegen van de stad Luik, zijn steeds moelijker te innen. Wat Fléron aangaat wordt de inning van deze bijzondere zoutbelasting op steenkolen op 18-8-1668, voor notaris Godefroid David, overgedragen aan de (belasting)pachters Jacques en Jean Piette, Piron Rome en gevolg, Franck, zn. van Baulduin Spirlet, Baulduin Gilman en Jean Balhan en gevolg. Hoe langer en meer onvriendelijk bejegend door de wagenmakers, die dreigen hen in de boeien te slaan en hun huizen in brand te steken en die van hun inzamelaars, verzetten Franck Spirlet, Baulduin Gilman en Jean Balhan, samengekomen op 22-4-1676 in het huis van Jean Balhan in Fléron, en in aanwezigheid van de kapitein van Fléron Jean de Bouillienne en van François Thonnart, zich tegen deze weigering van betalen; sinds de dreigementen en het oorlogsgeweld waarvan zij 4 jaar slachtoffer zijn, hebben zij bijna niets geind en het laat zich weer buitengewoon slecht aanzien als zij dit in dit nieuwe jaar weer niet doen.
Op 10-6-1676 lenen de burgemeesters van Fléron en Moulin 600 Brabantse florijnen van Jean Ghysen, die tegen een jaarlijkse rente van 37 florijnen en 10 patars moet worden terugbetaald. Dit vindt achtereenvolgens op 8-8-1698, 28-1-1703, 17-6-1730, 14-12-1741 en 17-11-1742 plaats.
Op 17-7-1676 begeven de commiezen van Fléron en Moulin, Laurent Collard en Everard Nizet, zich naar Luik, om in de parochie van Saint-André, ten huize van poorter-koopman Laurent Ghysen, handelend uit naam van zijn broer Jean Ghysen, 900 Brabantse florijnen te lenen. Deze lening wordt aangegaan tegen een betaling van een jaarlijkse rente van 56 florijnen en 5 patars ( = 16° denier) op voorwaarde dat de door de gemeenschappen Fléron en Moulin ontvangen rentes voor het bos van Breux en Bellaire hiervoor garant worden gesteld.
De lening van de 19e juli wordt op 9-8-1676 door de andere commiezen van Fléron goedgekeurd, te weten Denis Bonjean, Jourdan Leclercq, Jean Balhan en Jacques Olivier, en wordt op 11-8-1676 ter griffie van Mariotte ingeschreven door de schepenen van Luik. Terugbetaling vindt achtereenvolgens plaats op 28-3-1702, in 1744, 1754, 1783 en op 30-9-1817.
Op de avond van 13-8-1676 komen de soldaten van het garnizoen van Limburg aan op de croupet (= bergrug ) van Fléron en vorderen 6 (tweewielige) karren. De burgemeesters van Fléron, Jean Balhan en Everard Niset, ontboden op deze plaats, beraadslagen langdurig om te proberen hiervan ontheven te worden. Zij slagen hier niet in, want de commandant van de soldaten herhaalt telkens, dat noch voor goud, noch voor zilver, zij ongehoorzaam kunnen zijn aan deze orders. Derhalve, onder dreiging van plundering en brandstichting, worden de burgemeesters gedwongen deze karren te zoeken, daarbij vergezeld door 4 soldaten. Zij komen bij Toussaint Collinet, schoonzoon van Baulduin Spirlet, die net met zijn kar en zijn paarden op weg is van Forêt naar Grivegnée. Op zijn verzoek geven de burgemeesters hem een op 17-8-1676 gedateerde verklaring, opgesteld in het huis van Michel Simar in Fléron in het bijzijn van Henri Beyne en Arnould Xhardé.
Op 14-10-1676 begeven de commiezen van Fléron en Moulin, Laurent Collard en Everard Niset zich opnieuw naar Luik, naar het huis van poorter-koopman Jean Ghysen in de parochie van Saint-Jean-Baptiste, alwaar zij in het bijzijn van zijn dienstbode Jehenne, dr. van Laurent Henri Laurent, 75 patacons, ofwel 300 Brabantse florijnen lenen, tegen een betaling van een jaarlijkse rente van 18 florijnen en 15 patars. Deze lening wordt op 18-10-1676 door de andere commiezen Jean Balhan, Colson Laurent Colson, Jacques Olivier, Jourdan Leclercq en Jean Jean Jacques, overeenkomstig de volmacht van 22-9-1675, goedgekeurd. Terugbetaling vindt achtereenvolgens plaats op 7-11-1697, 15-1-1703 en 28-3-1707.
Op 31-12-1676 dragen de commiezen Jourdan Leclercq, Jean Balhan, Denis Bonjean, Colson Laurent, Jacques Olivier en "Le Grand" Jacques, hun ambtgenoten Laurent Collard en Everard Niset op zich naar Luik te begeven en een lening af te sluiten met de rentmeester van Ruremonde, ontvanger van Mr. de graaf van Clermont, teneinde een betaling te kunnen regelen.
1677 Op 9-1-1677 regelen de commiezen Jean Balhan, Colson Laurent Colson, Denis Bonjean, Jourdan Leclercq, Everard Nizet en Jacques Jacques, uit naam van zijn vader Jacques Jean Jacques, bij wet met de tenant van de kerk van Fléron, Hubert Frésart, een lening van 1200 Brabantse florijnen. Dit bedrag wordt hen door de pastoor en mambour van de kerk verleend in patacons en zilveren souverijnen (sovereign) van 5 en 4 Brabantse florijnen per stuk tegen een rente van 60 Brabantse florijnen en gegarandeerd door hun inkomsten/opbrengsten voortkomend uit Bois de Breux en Bellaire. De hierbij behorende notariële akte wordt, in het bijzijn van de kapitein van Fléron Jean de Bouillienne en van Henri, zn. van Thomas Wathieu, ten huize van Everard Niset ondertekend en op 15-2-1677 ingeschreven door het gerechtshof van Jupille. Achtereenvolgens vinden er terugbetalingen plaats op 1-4-1701, 1-9-1719 en 14-6-1730.
Chirurg Laurent Robinet heeft destijds zijn intrek genomen in een huis in Fléron, grenzend aan de spoorlijn tussen Fléron en Magnée en dat hij op 11-1-1677 huurde van Thomas Balhan.
Krachtens het akkoord van 17-4-1675 van de leden van hun gemeenschap en met de toestemming van de rekenkamer, kondigen de bestuurders Jean de Bouillienne en Baulduin Gillet Gilman in de kerk van Fléron de publieke verkoop van verscheidene aisemences aan. Op 28-1-1677 vindt een verkoop plaats, in aanwezigheid van voormalig bestuurder Jamin de Wérixhas, van Jean Balhan en anderen. De betreffende aisemences worden verkocht aan Franck Spirlet, wonende te Croupet.
Op 20-2-1677 zijn Catherine, dr van wijlen Baulduin Balhan, koopman Jourdan Leclercq, Jean zn van Jacques Bertholet dit Henus en Jean zn van wijlen Hubert Remacle Maket, getuigen bij het huwelijk tussen Jacques Bertholet, ged. Fléron 18-7-1655, zn van Jacques Bertholet dit Henus en Marguerite Keeux, en Jeanne, dr van wijlen Hubert Remacle Maket.
Gedurende vele jaren neemt de kolenproduktie in drostschap (baljuw) Amercoeur, waar de Prins-bisschop van Luik de landrechten en cens araines int, aanzienlijk af. Op 23-5-1677 krijgt de ontvanger van deze rechten, Jean Balhan, een officiële getuigenverklaring van de voormalige ontvangers Léonard Crépin en Henri Leclercq, en van de eigenaren van de mijnen, Gillet Lebois, Jean-François le Jeunehomme, Léonard Rennotte, Fassin de Rassenfosse, Baulduin Louis Thiry, Thomas Fagard en Lambert de Beaufort. Hierin verklaren zij unaniem dat, wegens de oorlog, gebrek en armoede van personen, de mijnen van Fléron, van Queue-du-Bois, van Chênée, behorende tot drostschap Amercoeur, gedurende het grootste gedeelte van de afgelopen 4 à 5 jaar onbezet waren en in slechte staat verkeerden en dat er voorheen gewerkt en viermaal geexploiteerd werd, dat met dat thans niet meer doet en dat dit ook bij andere concurrerende mijnen voorkwam in het land van de koning, in Soumagne en andere streken buiten de drostschap.
Op 25-5-1677 lenen de commiezen Everard Nizet, Jacques Olivier, Jourdan Leclercq, Denis Bonjean, Jean Balhan, Colson Laurent Colson en Laurent Collard, 800 Brabantse florijnen, tegen een jaarlijkse rente van 40 Brabantse florijnen, van de broederschap van de Notre-Dame, goedgekeurd voor de overledenen, gesticht in de kerk van Saint-André te Luik en vertegenwoordigd door de heersers en bestuurders van deze broedershap, Albert Trouson, Grégoire Jonea, Laurent Ghysen, Isaac Baulduin en de pastoor van Saint-André, Georges Morberins. Deze lening wordt verstrekt in de sacristie van de kerk van Saint-André, in het bijzijn van de kapelanen Simon Libotte en Jean Smal. Aflossing van de lening vindt op 13-11-1693 voor notaris J. de Londoz plaats door Baulduin Charles Detroz. Achtereenvolgens volgen gedeeltes op 2-3-1737 en aflossingen op 6-5-1743, 28-11-1743 en 21-1-1745.
Op 28-5-1677 lenen de commiezen Everard Nizet, Jacques Olivier, Jourdan Leclercq, Denis Bonjean, Jean Balhan, Colson Laurent Colson en Laurent Collard, 2000 Brabantse florijnen van de zusters Anne en Lucie Dangleur, tegen een rente van 100 Brabantse florijnen, die vervolgens wordt betaald aan mejuffrouw Marie Ghysen. Deze akte wordt voor notaris S.O. de Groot ondertekend en op 29-5-1677 ter griffie Jacoby ingeschreven door de schepenen van Luik en vervolgens op 18-12-1681 ingebracht in het gerechtshof van Jupille. Terugbetaling vindt plaats op 17-4-1743.
Op 16-12-1677 is in Chênée, Gabriel, zn. van Léonard Balhan peetoom bij de doop van Pétronille, dr. van François Remy Cambresier en Marguerite Crépin. Peettante is Marie, dr. van François Remy le Cambresier.
1678 Op 31-5-1678 waren in Fléron Marie Gilet Balhan, echtgenote van Henri Olivier de Saive als meter en Henri, zn van wijlen Adam Dardenne als peter aanwezig bij de doop van Jean, zn van Guillaume Dardenne en Jeanne Bertrand.
In september 1678 worden Franck Fléron, Jean Gathoie en Lambert Fassotte, alledrie uit Magnée, gevangen genomen door de bewaarder van Namen, omdat de parochie van Fléron geen belasting heeft betaald aan de stad Namen. Hun echtgenotes, Anne de Saive, Marie Fassotte en Lorette Sacré, protesteren, als zij pas 6 weken later hiervan bericht krijgen, tegen de arrestatie van hun echtgenoten en geven aan dat hen arrestatie en uitstel tot vrijlating de schuld is van de gemeenschap Fléron, omdat deze weigert hun juiste deel van de belasting te betalen, opgelegd aan de gemeenschap van de parochie. Dit protest wordt op 29-10-1678 in een weiland tussen Magnée en Fléron , behorende aan Baulduin, zn. van Gillet Gilman, gevoerd in het bijzijn van Thomas Balhan en Jehenne Léonard, echtgenote van Henri Fléron.
1679 Op 1-1-1679 is, in Fléron, Jean zn. van Baulduin Balhan peetoom bij de doop van Jean, zn. van Antoine Cornet Demolin en Isabeau Jean Bauduin. Peettante is Marie dr. van Henri Leclercq.
De uitkeringen, gedurende de laatste jaren van de Hollandse oorlog verstrekt door de burgemeesters en leiders van Fléron, zijn in detail opgetekend in de rekeningen die zij op 3-7-1679 aan hun gemeente voorlegden om schadeloos te worden gesteld. Zodoende biedt burgemeester Everard Nizet, op 22-9-1675 gekozen, uitkeringen aan namens de gemeenschap van Fléron. Daaronder ook een rekening, gedateerd 24-7-1676, betreffende een bezoek, met Laurent Collard en Jean Balhan, aan het kamp voor Maastricht, waarin zij aan de heer Lion, kapitein, 2 hammen uit Mainz (=soort Ardennerham), zwaar 15 pond en waard 9 florijnen, hebben gegeven om te voorkomen dat de fachinnes en pallissades bij opbod werden verkocht.
Onder de andere gevolmachtigden van Fléron, die hen rekeningen ook op 3-7-1679 overlegden voor de uitgaven en bezoeken aan de gemeenschap in 1676 en 1677, ook Jean Balhan, die op 18-9-1676 13 florijnen heeft gegeven aan de Fransen, die bij Michel Simar ondergebracht waren.

Vanaf 1680

1681 Op 28-1-1681 is, in Fléron, Jean zn. van wijlen Baulduin Balhan, samen met Grégoire, zn. van wijlen Grégoire le Brasseur, Jeanne, dr. van wijlen Paschal Thomas Wathy en Catherine, dr. van wijlen Jean Nizet, getuige bij het huwelijk van Jean, zn. van Jacques Truillet en Agnès (ook genoemd Anne), dr. van Henri Thomas Wathy en Isabeau Jean Baulduin "de jonge". Voor dit huwelijk wordt dispensatie verleend vanwege een 3e graads bloedverwantschap van vaderszijde.
Op 16-2-1681 tr. Jean zn van Baulduin Balhan met Marie Jacques, ged. Fléron 12-4-1656 in het bijzijn van Jacques zn van Thomas Jacques en Catherine dr van Jean Bertholet dit Henus, dr van Mathieu Thomas Jacques en Anne dr van Jean Bertholet dit Henus.
1683 Op 22-3-1683 is Jean Baulduin Balhan, samen met Remy Le Cambresier, Jean Bertrand, Henri Thomas Wathieu, Antoine Cornet uit Mollin en vele anderen op Le Cortil van het ziekenhuis Barbette in Beyne aanwezig bij de verkoop per opbod, om 14 uur verricht door de mambour Amand Grégoire, van een aantal oude eiken, die tot de goederen van het ziekenhuis behoren. Eén van de eiken, die van Le Cortil Barbette, wordt verkocht aan Thomas Balhan voor 7 florijnen, waarvan een derde is betaald aan Léonard Renotte, bezitter van Le Cortil. Bovenin deze eik hebben zich reeds enige takken ontwikkeld.
1684 Op 16-2-1684 is, in Fléron, Thomas, zn. van Thomas Balhan, peetoom bij de doop van Laurent, zn. van Laurent Colson en Jehenne, dr. van Olivier de Saive. Peettante is Lorette, dr. van Baulduin Gillet Gilman.
1687 Op 17-11-1687 is, in Fléron, Marguerite, dr. van Thomas Balhan, peettante bij de doop van Henri, zn. van Laurent Colson en Jehenne, dr. van Olivier de Saive. Peetoom is Jean Henri Jourdan Leclercq.
1688 Op 30-4-1688 in Fléron zijn Jean zn. van Thomas Balhan (P) en Catherine dr. van Servais Collas Renson (M) als getuige aanwezig bij de doop van Heluy, dr. van Charles Leroy en Jehenne Piron Mathy Gilmar.
Op 15-9-1688 in Fléron zijn Marguerite, dr. van Thomas Balhan (M) en Jean Antoine Coxsay (P) als getuige aanwezig bij de doop van Marie, dr. van Jean de Belleflamme en Marguerite Gilles Leclercq.
1689 Bij het lokale volksleger doet zich een probleem voor m.b.t. de inwoners van Retinne. Zij maken namelijk niet alleen deel uit van de parochie van Fléron, maar zijn ook afhankelijk van de "heerlijkheid" Retinne en niet, zoals de inwoners van Fléron zelf, van "baljuwschap" Amercoeur. Op een gegeven ogenblik, als de aanvechtingen tegen deze onafhankelijk zich in Retinne manifesteren, wordt als oplossing voorgesteld, dat zij geïntegreerd zullen worden in de gemeenschap van Fléron. Het is in die zin, in ieder geval, dat er twee getuigenverklaringen, op 20 en 21 mei 1689, worden opgenomen in het huis van Hubert de Bouillienne in Fléron, en in het bijzijn van de marlier van Fléron, Jordan Leclercq en van de kapitein van Saive, Guillaume de Fléron. Op 21-5-1689 verklaren een aantal parochianen van Fléron, te weten Arnould Fléron, 72 jr, Jean Luctray, 80 jr, Henri Fagard, 80 jr, Piron Grailet, 74 jr, Henri Albert, 72 jr, Jean Sacré, 65 jr, Antoine Franck Monseur, 67 jr, Jean David, 58 jr, Bastin Henrion, 63 jr, Georges Antoine Collette, 64 jr, Louis Morea, 59 jr, Henri de Cerexhe, 60 jr, Denis Le Charlier, 58 jr, Collas Wathieu, 56 jr, Thomas Francket, 52 jr, Ansea Jean Denis Mathieu, 65 jr, Pirotte Pierre Lambkin, 52 jr, Jacquemin de Cokaiko, 52 jr, Arnould Georges, 60 jr, Pacquea Beaujean, 51 jr, Denis Bolland, 71 jr, Baulduin Thonnart, 60 jr, en Mathieu de Wérixhas, 62 jr., dat diegenen uit Retinne die ten tijde van wijlen Gérard de Bouillienne, Hubert Fouarge, Jean Bruwin, Monsr de Preit dit Barxhon, Thomas Balhan en Bartholomé de Fraipont, allen bij leven kapiteins van Fléron, wachtliepen met diegenen uit Fléron, altijd op dezelfde wijze door de compagnie werden geïnspecteerd en dat hierbij nooit enige kapitein uit Retinne betrokken is geweest. De sergeant van Retinne ontving zijn orders van de kapitein van Fléron, waarbij niemand werd beschouwd afkomstig te zijn uit Retinne, noch in opleiding, noch onder de wapenen.

Vanaf 1690

1690 In augustus 1690 slaan de soldaten van de Prins-bisschop hun kamp op in Bois-de-Breux en omstreken en eigenen zich 7 zakken haver voor 7 paarden toe, geschat op minstens 60 bundels (bossen), afkomstig van een terrein gelegen in (La) Neuville nabij Beyne, en behorende aan Jean Jacques en voorheen aan wijlen Gilles Jean Grégoire. Jaspar Franck en Gillet Baulduin Balhan, uit het gehucht (La) Neuville, leggen op 20-5-1691 een getuigenverklaring af en stemmen toe in de billijke schatting van dit verlies. Jaspar Franck voegt toe dat hij op een naburig terrein 70 bundels haver heeft geoogst, die hem meer dan 4 mud heeft opgeleverd en dat iedere bundel stro tegen 10 liards is verkocht.
1694 Gedurende de oorlog van het verbond van Augsbourg (La ligue d’Augsbourg) stoppen de gemeenschappen Fléron en Moulin met geld te lenen. Zij slagen er zelfs in om in 1694 320 florijnen terug te betalen, die zij op 16-8-1679 heeft geleend. Andere aflossingen volgen.
Op 20-1-1694 begeeft Leonard Jean Gregoire de Beyne zich naar het huis van weduwe Simon dit Hotton in Ayeneux, wiens dochter Marguerite het leven heeft geschonken aan een "onecht" kind. De vader is Leonard, zn. van wijlen leonard Renotte de Beyne, zwager van Leonard Jean Gregoire.
Al verscheidene "onderhandelingen en besprekingen" hebben plaatsgevonden met betrekking tot dit kind, maar tevergeefs. Deze keer hoopt hij deze kwestie af te kunnen sluiten en stelt voor een bedrag van 50 patacons te betalen. Hij doet dit in het bijzijn van Thomas Balhan en zijn zoon Jean, maar Marguerite weigert wederom, verklarende "dat zij wil ontvangen hetgeen hem gerechtelijk wordt voorgeschreven".
Leonard vertrekt met het advies "goed over deze zaak na te denken, want het proces levert noch de een, nog de ander wat op".
In vroeger tijde werden huwelijken altijd voltrokken wanneer men in verwachting was van het eerste kind. In bepaalde gevallen weigerde de vader echter zijn verantwoordelijkheden te nemen. In het "Ancien Regime" had de moeder toen de mogelijkheid zich te verzetten tegen het huwelijk van de vader van haar kind met een ander (zie ook CHF-1/97, blz. 54...67). Soms bleef de vader echter onbekend of werd hij lasterlijk aangeklaagd. De bovenvermelde situatie geeft een idee hoe door de geboorte van een onwettig of onecht kind gehandeld werd.
Op 17-7-1694 tr. Anne, dr. van wijlen André Colson en Héluy Le Kaison, in het bijzijn van Jean zn. van wijlen André Colson, Jean zn. van Jean Terff, Marguerite dr. van wijlen Thomas Balhan en Marie dr. van Olivier Crahay met Pierre, zn. van Nicolas Beyne.
1695 Op 27-2-1695 is, in Soumagne Jean Balhan peetoom bij de doop van Henri Joseph, zn. van Toussaint Delcour en Marie Rensonnet. Peettante is Marie Tirsay.
1697 Op 21-4-1697 waren in Soumagne Jean Balhan als peter en Anne-Marie Fraipont als meter aanwezig bij de doop van Marie Joseph, dr van Pierre Bouharmont en Isabeau Badon.
1698 Op 21-7-1698, de maandag van de viering van de (kerk)wijding in Bellaire, wordt Louis, zn. van Pacqueau Thomas Wauthy (=Pascal, zn. van Thomas Wathieu), verwond door Hubert Fagart, soldaat in de compagnie van kapitein Warimont van het Luikse regiment van de graaf van Berlo. Op 11-8-1698 overlijdt hij, na de laatste sacramenten te hebben ontvangen. Op 15-8-1698 vaardigt de schout van Amercoeur een oproep uit aan het adres van de schuldige. Hubert Fagart antwordt daags daarna en geeft zijn versie van het gebeuren, na precies te hebben omschreven dat hij niet willens is afstand te doen van zijn militaire rechten. Volgens Fagart, terugkerend uit Jupille, ontspande hij zich op maandag 21-7-1698 in de herberg van Gilles de Bouxteau. Ook Louis Wathieu arriveert er, vergezeld door Baulduin Balhan. Er onstaat een woordenwisseling tussen Baulduin Balhan en Hubert Craheau, maar zij eindigt zonder gevolgen, dankzij de tussenkomst van de "gegoede lui". Hubert Fagart betaalt zijn rekening, voorkomt een nieuwe ruzie en gaat naar buiten met de compagnie van Hubert Craheau. Aangekomen ter hoogte van het huis van Piron Cloes, worden zij uitgenodigd binnen te komen: "çà, mes amis, leur dit-il, voulez-vous souper auprès de moi, ce jourd’hui, le lundi de notre fête" ("Hier, mijn vrienden, ik vraag jullie, wilt u het avondeten met mij gebruiken, vandaag, de maandag van ons feest"). Fagart weigert beleefd, maar gaat desondanks het huis van Piron Cloes binnen en praat er wat. Wanneer Louis Wathieu en Baulduin Balhan arriveren en te kennen geven een brandewijn te willen drinken, draaien zij zich om. Fagart groet hen, met het glas in zijn hand, maar Louis Wathieu antwoordt hem: "qu’il n’avait pas envie de lui faire raison, mais que au contraire, il aîmerait mieux faire un coup de fusil avec lui" ("dat hij geen zin heeft hem die voldoening te geven, maar dat hij daarentegen er meer de voorkeur aan geeft hem neer te schieten"). Fagart antwoordt: "Mon ami, vous pouvez le laisser" (Mijn vriend, dat kunt u beter laten") en hij doet zijn best met alles wat in zijn vermogen ligt te verhinderen dat Wathieu wederom gewelddadig wordt. Wathieu en Balhan gaan naar buiten, verscheidene malen tegen de deur schoppend, vloekend en dreigementen uitsprekend. Herhalend roepen zijn: "Venez dehors" ("kom naar buiten"). Na herhaaldelijk aandringen van Piron Cloes en zijn echtgenote gaan zij echter niet naar buiten, maar wachten langdurig af. Uiteindelijk, omdat zij geen lawaai meer horen, gaan zij naar buiten om vreedzaam terug te keren, maar onderweg treffen zij Wathieu en Balhan, die hen opwachten en aanvallen met wapens en stokken in de hand. Fagart valt achterover en, om toen zijn leven te redden, steekt met zijn bajonet die hij in de aanslag heeft en geeft enkele steken "in het gevecht". De pastoor van Fléron noteert in zijn register dat Louis Wathieu gestorven is aan "verwondingen door verscheidene messteken", opgelopen in Bellaire, de maandag van de (kerk)wijding, maar op 7-2-1699 verklaart de officier van gezondheid van het regiment van Amercoeur, Elias Tillioux, dat Louis Wathieu drie verwondingen heeft opgelopen. Eén in het gezicht met een schedelfractuur, één in de buik naar boven tot het borstbeen en een kneuzing in de onderbuik, maar dat in de 15 dagen die volgen, Wathieu een hevige en aanhoudende dysenterie krijgt, tot aan zijn dood, zonder dat ooit enige infectie zich door deze verwondingen heeft openbaard.
1699 Op 2-4-1699 wordt Gilles, onwettige zn. van Jean (zn. van wijlen Gillet Thone Rennotte) en van Lisbette (dr. van wijlen Ernotte Baiwir "de oude"), in Fléron gedoopt. Hij wordt ontvangen voor peetoom Gillet, zn. van Baulduin Balhan en peettante Catherine, dr. van Ernotte Baiwir "de oude".

Vanaf 1700

1703 Op 20-6-1703 is in Fléron Thomas Balhan als peetoom en Catherine Balhan als peettante aanwezig bij de doop van Jean, zn. van Jean Aimond en Elisabeth Colson André Colson.
1704 Op 5-2-1704 is, in Soumagne, Thomas Balhan, samen met Louis Fraineux, getuige bij het huwelijk van Jean, ged. Fléron 26-3-1668, zn. van André Colson en Héluy, dr. van Jean Collin le Kaison met Gertrude, dr. van Gérard Paquay Boulanger.
Op 18-4-1704 is in Fléron, Bauduin Balhan (peetoom) en Reine Jean Remacle (peettante) aanwezig bij de doop van Anne, dr. van Ernotte Baiwir en Marie Henri Albert.
1705 In 1705 verkrijgen de jongedames Mechtilde Thérèse en Catherine de Liverlo van de schepenen van Jupille een beslaglegging op een huis en enkele goederen opgelegd, gelegen in Fléron en behorende aan de weduwe Barthélemy Leroy en gevolg. De pastoor van Fléron, Balthazar Dor, kondigt op de preek van 3 zondagen de verkoop van deze bezittingen aan. Donderdag 7-1-1706, om 10 uur, beginnen de schepenen van Jupille, op verzoek van de jongedames de Liverlo, met de publieke verkoop van de in beslag genomen goederen, waaronder een huis en een tuin, op "La Heid des Chênes", behelzende 7 grote roeden, in het zuiden grenzend aan het terrein van Franck Bonjean dit Thonnar, in het oosten aan de spoorlijn, in het westen aan het terrein van Bauduin Balhan en in het noorden aan het terrein van Jean Leclercq, afgevaardigde van Jamin de Wérixhas.
1707 Ondanks dat de zilverprijs maar blijft dalen, krijgen de burgemeesters van Fléron en Moulin, Laurent Leruite en Pierre Thonnar, op 27-3-1707 toch goedkeuring om zilver te lenen tegen 25° denier (4%) om andere leningen af te lossen. Deze volmacht wordt hen naast vele anderen gegeven door Bauduin Balhan, Lorette Magnée, wed. van Jean Gillet Balhan en Jehenne Balhan, allen dorpelingen en surcéants van Fléron en Moulin.
1708 Op 4-11-1708 zijn Bauduin Balhan en Henri Hanquet in Fléron getuige bij het huwelijk van Jean Laroche en Jeanne, dr. van Thomas Wathy.

Vanaf 1710

1710 Op 9-7-1710 reist notaris J. Leclercq, vergezeld door de broers Jean en Piron de Mollin, langs verschillende huizen in de gemeente Beyne en Neuville om van de dorpelingen goedkeuring te krijgen, dat Gilles Belleflamme, bewoner van het ziekenhuis van Beyne, de goederen van het ziekenhuis mag faire des briques (=verbranden?). Samen met een aantal anderen geven Jean Bauduin Balhan en de wed. Gillet Balhan, schriftelijk toestemming, op voorwaarde dat geen schade wordt toegebracht aan de gebouwen en het effenen van de grond weer in goede staat wordt hersteld.
Op 16-7-1710 is in Fléron Catherine Balhan peettante bij de doop van Lambert François, zn. van Denis Mairlot en Marguerite Balhan. Peetoom is Henri Dardenne, die echter door afwezigheid wordt vervangen door priester Henri Leclercq.
Op 17-9-1710 wordt in een naburige parochie van Fléron, mogelijk Saive, minstens 8 kinderen uit Fléron gedoopt, waaronder Marie, dr. van Gilles Balhan en Pétronille Truillet. Peetoom is Pierre Jacques Truillet, peettante is Marie Balhan.
1711 Pétronille Truillet, dr. van Louis Truillet (ovl. vóór 15-5-1711) is getrouwd met Gielet Balhan.
Op 28-8-1711 is, in Fléron, Catherine Balhan, peettante bij de doop van Servais, zn. van Olivier Laurent Colson en Héluy Servais Renson. Peetoom is Pierre Massart.
Op 24-11-1711 is in Chênée Marguerite Balhan peettante bij de doop van Simon, zn. van Simon Thiry Degeer en Catherine Hubert Simon, ook genaamd Catherine Decerf. Peetoom is Hubert Simon dit Decerf.
1712 Op 1-4-1712 is een Jean Balhan, samen met Bauduin d'Ayeneux en Anne-Catherine Decerf, in de Jezuïtenkerk te Luik getuige bij het huwelijk van Jean Simon Rensonnet, ged. Soumagne 1-11-1681 als zn. van Simon Jean Jacques Rensonnet en Marie Pierre Henri Bauduin, met Jeanne d'Ayeneux, ged. Soumagne 31-10-1685, als dr. van Jean d'Ayeneux en Marie Tonnar.
Op 21-6-1712 weigert de kapitein van Fléron gevolg te geven aan het raadsbesluit van de Prins-bisschop, hem medegedeeld voor notaris Préalle, om de paarden vrij te laten, die in Magnée in beslag zijn genomen, tenzij een borgsom aan hem wordt betaald om te garanderen dat de bewaking van deze paarden wordt betaald. Op 22-6-1712 protesteren Henri Fléron, Michel Fléron, Bertholet Fléron en Jean Gathoie "de jonge", allen uit Magnée, tegen deze weigering van de kapitein van Fléron. Op 25-4-1713 verklaren Bauduin Bruwin, Jean Lempereur, Lambert Balhan, Silvestre Baiwir en Pierre Bolland, op verzoek van de luitenant van Fléron, Lambert Lambinon, dat zij, op bevel van schout Magis, tijdens de 9 dagen dat zij de in beslag genomen paarden hebben bewaakt, in het huis van luitenant Lambinon hebben gegeten en geslapen en dat zij zich van ‘s middags tot ‘s avonds, en zelfs tot diep in de nacht, te goed hebben gedaan aan bier en brandewijn.
Op 5-8-1712 is in Fléron, Bauduin Balhan (peetoom) en Anne Collard (peettante) aanwezig bij de doop van Jeanne, dr. van Ernotte Baiwir en Marie Henri Albert.
1714 Op 13-2-1714 in Fléron zijn Baulduin en Remacle Balhan getuigen bij het huwelijk van Jean Bertholet, ged. Fléron 21-1-1689, zn van Jacques Bertholet en Jeanne Maket met Anne Stienne (=Etienne).
Op 17-7-1714 is in Fléron Catherine Balhan, peettante bij de doop van Catherine, dr. van Jean Gathoie en Catherine Bertholet de Saive. Peetoom is François Fléron.
Jean Gathoie verkrijgt omstreeks 1714 de getuigenis van Louis Lemoine, Nicolas Baiwir, Jean Balhan en Piron Lemoine "de jonge" en op 17-12-1714 bij Jean Loxhay in Bois-de-Breux, die ook een verklaring ter zijner gunst ondertekent. Volgens hen heeft Jean Gathoie zijn knecht verzocht haver te dorsen, toen Mathieu Blavier, Bertrand le Brasseur en Simon Bissou, gewapend met degens en stokken, verschenen. Bij de woordenwisseling die volgt, geeft Bertrand le Brasseur stoten in de nierstreek van Gathoie, ‘die op zijn buik op de tafel komt te vallen’; Gathoie richt zich weer op en geeft Mathieu Blavier een stoot, die hem teruggegeven ‘zijn pijp uit zijn mond doet vliegen’. Vervolgens trekt Gathoie zich met zijn zoon terug van de anderen in het huis van Jean Loxhay, alwaar hij ‘vreedzaam woonde, zonder zich ooit te bezondigen aan enige onbeschoftheid’.
1715 Op 18-3-1715 is in Fléron Thomas Balhan peetoom bij de doop van Joseph, zn. van Jean Aimond en Elisabeth Colson. Peettante is Catherine Rensonnet.
Op 29-6-1715 is in Fléron Baulduin Balhan, peetoom bij de doop van Marie, dr. van Jean Bertholet en Anne Stienne. Peettante is Anne Wathy.
1716 Op 22-1-1716 is, in Fléron, Lambert Balhan peetoom bij de doop van Jacques, zn. van Léonard Mousset en Marie Truillet. Peettante is Catherine Rensonnet.
Roland Evrard, ged. Chênée 14-6-1691, burgemeester en een broer van André Evrard, ged. Chênée 21-4-1693, tr. Fléron 15-2-1716 met Catherine Truillet in het bijzijn van Remy Beaufort, Marie Balhan en Hubert Evrard.
Op 27-4-1716 is, in Fléron, Bauduin Balhan, peetoom bij de doop van Jean, zn. van Jean Laroche en Jeanne, dr. van Thomas Wathy. Peettante is Anne Hanquet.
Op 14-6-1716 is, in Fléron, Marie Balhan peettante bij de doop van Jean, zn. van Noël Rensonnet en Anne, dr. van Henri Andrian. Peetoom is François Bauduinet.
1718 Op 16-5-1718 is, in Fléron, Thomas Balhan, peetoom bij de doop van Jean, zn. van Olivier Laurent Colson en Héluy Servais Renson. Peettante is Anne Henri Pacquay.

Vanaf 1720

1720 Op 18-8-1720 geeft Lambert Balhan, samen met een aantal anderen, gehoor aan de oproep, die de pastoor van Chênée, Xhardé op 11-8-1720 voorleest: "Joseph Dumoulin, comis de Chênee, laisse savoir aux surcéants de la communauté de se trouver dimanche prochain à la porte du cimetière pour proposer quelque affaire touchant la communauté". (Joseph Dumoulin, bestuurder van Chênée, laat aan de surcéants van de gemeenschap weten dat zij zich komende zondag aan de ingang van het kerkhof zullen treffen om enige kwesties aangaande de gemeenschap voor te leggen). Burgemeester Joseph Dumoulin kondigt hen aan dat hij iemand gevonden heeft, die bereid is zilver te lenen tegen 30 denier. Hij krijgt de bevoegdheid om dit zilver te lenen als hij wordt vergezeld door een van zijn bijzitters, behalve de weduwe Rovers, die weigert de rente kwijt te schelden, die hij tegen 30 denier verschuldigd is.
1721 Op 18-3-1721 wordt door de staat ten gevolge van de aanleg van de weg bij Croupet van Fléron van een totale som van 4518 florijnen en 3 duiten voor de onteigening van grond aan de eigenaren van de Croupet betaald, te weten 1173 florijnen, 13 patars en 3 duiten aan Wathelet Gilman, 780 florijnen en 2 duiten aan Jeanne Nizet, 293 florijnen, 13 patars en 3 duiten aan Guillaume Gilman, 632 florijnen, 18 patars en 3 duiten aan Jean Balhan, 557 florijnen en 17 patars aan lakenwever Jean Georis en 1080 florijnen en 17 patars aan Servais Denooz.
1723 Op 27-9-1723 is in Fléron, Marie, dr. van Léonard Balhan, peettante bij de doop van François, zn. van Jean Delbouille en Catherine Fassin Paquay. Peetoom is Renquin, zn. van Polus Andrian.
1724 Op 25-2-1724 is in Fléron Ernotte, zn van Gillet Balhan peetoom bij de doop van Marguerite, dr van Jean Bertholet en Anne Etienne Gaspard. Peettante is Catherine, dr van wijlen Henri Thomas Wathy.
Op 15-8-1724 wordt in Fléron François Joseph, zn. van Jean Bertolet en Getrude Corman (Caerman), bij zijn doop ontvangen voor peetoom Jean, zn. van Jean Henri Leclercq en peettante Marie, dr. van Léonard Balhan.
Op 28-9-1724 zijn Jacques Balhan en Pierre Sion, verschenen voor notaris Cerfontaine, als getuigen aanwezig bij de getuigenis van Gillet Massar en Royne de Cerexhe, waarbij zij verklaren dat zij sedert meer dan 42 jaar een hek hebben gezien, aangebracht tegenover de weg van Lay Broly, aan het einde uitlopend in een kleine weg, die zich naar het huis van de Marets (Marais) begeeft. En dat later, in het jaar 1684, na een overeenkomst tussen de gemeenschap Ayeneux en wijlen Mr. de schepen en raadsman van Charneux zij een ander hek hebben gezien nabij het huis van Jean de Cerexhe en genoemde weg aan het einde is afgesloten door een greppel; zij kunnen hier willens en wetens van getuigen, omdat zij enige tijd dicht genoeg in het huis van Lay Broly hebben verbleven.
In dit artikel komen meerdere namen terug, die elders in de genealogie Balhan opduiken, zoals Jean Collin Le Keson, Crahay, Lambinon, Massar(t), Fassotte, Colson.
1725 Op 9-6-1725 wordt Jacques Balhan, controleur in de steengroeve van Ayeneux, alwaar men op kosten van de staat stenen betrekt, aangenomen als stenenbikker bij de aanleg van de weg van Luik naar Verviers. Hij verdient hiermee een salaris van 15 patars per dag. Jacques maakt een lijst op van reizen die gemaakt zijn door arbeiders en de "botteresses".
1726 Op 9-1-1726 gaat o.a. Jean Balhan akkoord dat burgemeester Paul Debrus, luitenant van Beyne en Heusay, Léonard Collard en Jean Spiroux, bevoegd zijn om tegen een rente van 33° denier een bedrag van 6930 Brabantse florijnen te lenen. Dit gebeurt gedurende een vergadering van de gemeenschap, die hiervoor is samengekomen in het huis van Luitenant Léonard Collard in Heusay.
Op 22-3-1726 is in Fléron, Thomas, zn. van wijlen Thomas Balhan, peetoom bij de doop van Catherine, dr. van Gilles Gilmar en Jeanne de Chèvremont. Peettante is Catherine Souris, echtgenote van François de Surlemont.
1727 Op 24-7-1727 is in Fléron Arnold, zn. van wijlen Gilles Balhan, peetoom en Marie, dr. van genoemde wijlen Gilles Balhan, peettante bij de doop van Jacques, zn. van Thomas Baiwir en Jeanne Riguelle. Op 25-9-1729 zijn zij in Fléron wederom getuige bij een doop. Dan bij die van Marie, dr. en een ander kind van Thomas Baiwir en Jeanne Riguelle.
1728 Op 1-8-1728 is in Chênée Gabriel Balhan peetoom bij de doop van Marguerite, dr van Mathieu Leclercq en Marie Guérin. Peettante is Marguerite Leclercq.

Vanaf 1730

1735 In 1735 wordt op het "Chateau des Marets" in Ayeneux, bij een verkoop, drie pailles of poêles ( = kachels ?) verkocht, waarvan één aan Catherine Balhan voor 8 patards.
Op 30-5-1735 is in Fléron, Catherine Balhan, peettante bij de doop van Nicolas Joseph, zn. van Nicolas Delbouille en Anne Aimond. Peetoom is Henri Pirard.
1737 Gabriel Balhan komt voor op een lijst van 156 surcéants van het kwartier Ayeneux, die verplicht werden getuige te zijn van de algemene terechtzitting van Pâques en Saint-Remy op Driekoningen in 1737.
1738 Op 27-1-1738 is Guillaume Balhan van Evegnée samen met Jean Crahay van Jupille als getuige aanwezig in het huis van burgemeester Pierre Falla, alwaar de gemeenschap van Queue-du-Bois is samengekomen na oproep van sergeant Jacques Pacquay om met toestemming van heer Michel baron van Rosen, schepen van Luik, de rekeningen van de burgemeester te controleren.
1739 Op 6-6-1739 is, in Fléron, Marie Balhan peettante bij de doop van Noël Jaques, zn. van Jean Rensonnet en Marie Collard. Peetoom is Jacques Rensonnet.

Vanaf 1740

1740 Op 11-10-1740 doet advocaat Jean François Denis Dumoulin namens hemzelf en zijn broers en zusters afstand aan Guillaume Balhan, woonachtig te Saive, van zijn molen en andere gebouwen alsmede 6 bonnier weiland gelegen te Saive tegen de prijs van 1 1/2 maat rogge per week en 50 Brabantse florijnen per bonnier per jaar, verder 56 stier rogge per jaar te betalen aan de heer van Saive; een korting van 15 Brabantse florijnen wordt overeengekomen; bovendien worden de moestuin en het kleine bos achter de stal beschouwd als "ahesse" (?) van de molen en vallen dus niet binnen deze grenzen. De huurder is verplicht de toestand van de daken te herstellen en geeft als waarborg zijn bezittingen gelegen te Saive, te Evegnée en te Tignée. Vervolgens wordt het testament met zijn echtgenote opgesteld voor de kapelaan van Saive, Hawotte; de waarborg wordt opgehoogd met 1000 Brabantse florijnen, gegeven door André Baulduin, schoonvader van Guillaume Balhan. Het contract wordt voor notaris J.D. Moulan in het huis van advocaat Dumoulin in de parochie Saint-Adalbert en in het bijzijn van Alexandre Xheneumont ondertekend en wordt op 20-2-1741 door de schepenen van Saive ingeschreven.
1741 Op 1-2-1741 was Marguerite Balhan in Fléron als peettante getuige bij de doop van Catherine Célestine, dr. van Jean François de Saive en Marie Françoise Beaupain. Peetoom was Jean Philippe Dejong, abt van Saint-Hubert.
1743 Op 24-2-1743 wordt Lambert Maîtrejean tot burgemeester van Chênée gekozen. De gemeenschap van Chênée wordt tijdens de missen van zondag 7-6-1744 door pastoor Xhardé opgeroepen het actievraagstuk tegen hen van Bounam te regelen. Bij het geluid van de klok, nà de stille mis van zondag 21-6-1744 verschijnt o.a. Lambert Balhan nabij de ingang van het kerkhof van Chênée, om aan deze oproep gehoor te geven.
Op 23-10-1743 betaalt de burgemeester van Fléron 5 florijnen aan Marie Balhan voor het leveren van 100 stuks planken, ten behoeve van de reparatie van de kerk van Fléron.
1744 Op 5-7-1744 vaardigt pastoor Godefried Dubois names het hof van tenants van de kerk van Fléron tijdens de preek van de mis een oproep uit om te protesteren tegen de achterstallige betalingen van de rentes, die hen verschuldigd zijn sinds de aflossing van 28-3-1702. Samen met anderen geeft Lambert Balhan gehoor aan deze oproep.
Op 18-12-1744 begeeft Guillaume Balhan zich naar het huis van advocaat Jean Denis François Dumoulin op "Pont d'ile" in de parochie van "Notre Dame aux Fonts". Hij erkent dat het contract van 11-10-1740 fouten en nalatigheden bevat en laat er wijzigingen in aanbrengen, te weten: "De advocaat doet afstand aan Guillaume Balhan zijn gebouw met leisteen overdekt en sinds 1740 verbeterd, evenals de vijver/poel en zijn recht op het bos gelegen nabij de zware hoge muren van het kasteel, onder voorwaarde bovenop de 56 stier te betalen aan de heer baron van Méan, één mud spelt (=soort koren) aan de pastoor van Saint-Etienne te Luik, één mud aan de kerkmeester van Saive, één stier spelt aan de kerk van Saive, één stier aan het klooster van La Xhavée, een rente van 229 florijnen, 13 patars en 3 liards aan de heer Piette, en mogelijk andere rentes. Ter compensatie wordt de huurprijs verlaagd met een hoofdsom van 7656 florijnen, 7 patars en 3 liards; blijft over te betalen door de huurder aan de huiseigenaar een rente van 50 Brabantse florijnen en een andere rente van 192 florijnen en 13 1/2 patars die eenmalig mag worden afgekocht tegen de prijs van 3853 florijnen, 12 patars en 1 liard. Dit nieuwe contract wordt op 12-1-1745 door de schepenen van Saive ingeschreven.
Op 21-12-1744, op een vergadering van de gemeenschap belegd door sergeant Guillaume Colman in het huis van Jean Heuskin in de parochie van Chênée, aan de weg naar Beyne, geeft Jean Balhan samen met een aantal anderen eensgezind hun burgemeester, Jean Heuskin, opdracht een begin te maken om hun leningen met 2.5% te verlagen. Door de successie-oorlog met Oostenrijk is waarschijnlijk echter niets van gekomen.
1746 Op 2-8-1746 is, in Fléron, Marie Balhan peettante bij de doop van Laurent François, zn. van Jean Rensonnet en Marie Collard. Peetoom is Louis Sculfort.
Op 24-8-1746 in Fléron zijn Marie Balhan en Louis Mornard getuigen bij het huwelijk van Catharine Gertrude, ged. Fléron 31-10-1706, dr van Jean Dardenne en Jeanne Spirlet, met Henri Mornard.
Op 27-9-1746 ontvangt de notaris van de wed. van Gilles Balhan een declaratie voor een halve stier spelt (= soort koren).
Op de hoogmis van het feest van Saint-Etienne, dat op 26-12-1746 wordt gevierd, kondigt pastoor Godefried Dubois aan dat hun burgemeesters Laurent Joris en Antoine Joeskin dringend geld nodig hebben om de voor de winter ingekwartierde troepen te betalen en dat zij hiervoor de steun vragen van de bevolking. Samen met anderen geeft Marie Balhan, wed. van André Evrard, gehoor aan deze oproep.
1747 Op 30-9-1747 in Chênée zijn Ernest Balhan en Lambert Wilmotte getuigen bij het huwelijk van Jean Leclercq, ged. Chênée 1-8-1726, zn. van Servais Leclercq en Marie Barchon, met Marie-Anne Seret.
De wed. van Gilles Balhan: 18 pond fijn meel, 18 ons wol, 1 doek (of aktentas) en 4 kippen, dit alles voor 13 florijnen en 10 patars (ca. 1747).
1748 Na de successie-oorlog van Oostenrijk heeft de gemeenschap Fléron en Moulin, evenals de andere gemeenschappen uit de omgeving, de gevolgen en problemen van de vergoedingen van de geleden schade opgetekend. Op 28-1-1748 dragen priester Léonard Lambinon, Pierre Massart, Jean-Baptiste Neuray, Martin Fléron, Melchior Delsemme, Servais Leclercq, Jean-Baptiste Beaupain en Henri Mornard, volgens de bevoegdheid, die hen op 17-9-1747 voor notaris H. Foulon is gegeven, hun burgemeester Laurent Georis op om namens de gemeenschap een som geld te ontvangen, hen toegekend door de Staten van het land van Luik voor de rantsoenen hooi, stro en haver en voor de porties brood, die zij hebben geleverd aan de troepen van Zijne Koninklijke en Keizerlijke Hoogheid van Hongarije. Deze lastgeving/volmacht wordt in het huis van de weduwe van Michel Truillet in Fléron gegeven, in aanwezigheid van Marie Balhan en Catherine Dardenne.
Op 25-3-1748 worden enkele aanklachten geregistreerd omtrent het gedrag van een soldaat, die bij Lambert Magnée in Waoury, nabij Fléron, logeerde. Elisabeth Balhan verklaart dat deze soldaat zich op 23-2-1748, omstreeks 17 uur, begeeft naar Gérard Fléron in Waoury, met sabelhouwen op de deur heeft geslagen, en eenmaal binnen, door mensenkracht is overmeesterd en is overgedragen/zich heeft overgegeven aan de wacht.
Lijst A, opgesteld op 19 en 20 januari 1748, van schadevergoedingen van oorlogs/krijgskosten, in totaal 8576 florijnen, 6 patars en 3 liards. Aan Thomas Balhan werd betaald: 14 florijnen, 8 patars en 3 liards.
Gabriel Balhan wordt 14 florijnen betaald voor ......
Op 22-8-1748 is, in Fléron, Laurent Balhan, peetoom bij de doop van Louis, zn. van Henri Colson en Jeanne Lambinon. Peettante is Jeanne Colson.
Op 8-9-1748 is in Fléron, Lambert Balhan, samen met Catherine Georis en Noël Georis, getuige bij het huwelijk tussen Jean Debois en Catherine Crahay.
1749 Op 11-3-1749 dient de gemeenschap van Fléron een verzoek in, op 18 en 27-3-1749 bevestigd door getuigenis van de Prins-bisschop, om voortaan alle rechtszaken en misverstanden te voorkomen en dat "alle inwoners onderling alle vorderingen zullen vergoeden", waarmee zij gezorgd hebben dat de laatste oorlog kon worden betaald. Onder hen ook Lambert Balhan.

Vanaf 1750

1750 Op 11-5-1750 ondertekent de Prins-bisschop een mandement, dat aangeeft op welke wijze de geldbedragen, betaald door Frankrijk als schadevergoeding voor de tijdens de oorlog opgelegde vorderingen, aan de gemeenschap en particulieren moet worden verdeeld. Dit mandement wordt op de vergadering van het hof op 24-5-1750 op de de Wérixhas in Fléron, door bemiddeling van de burgemeesters, aan de dorpelingen medegedeeld. Naast de twee burgemeesters Bartholomé Mornard en Gérard Nizet en vele andere dorpelingen van Fléron en Moulin is ook Lambert Balhan aanwezig. Zij dragen kanunnik Wérin op de afgevaardigden van de Prinsbisschop te ontmoeten en van hen het geld in ontvangst te nemen. Op 24-5-1750 verklaart Joannes Prick dat het aldus te ontvangen geld dient om de rente af te kopen, die is ontstaan door de leningen van de laatste oorlog en dat de rest van dit bedrag verdeeld moet worden onder de benadeelde dorpelingen voor de overbezetting van de ingekwartierde soldaten. Dit protest vindt plaats voor getuigen François le Prévot en Henri Joseph Frankotte. Hierop spannen de dorpelingen van Fléron en Moulin een protest aan. De vergadering van 19-7-1750, gehouden op de Wérixhas van Fléron, keurt dit proces, niet alleen aangespannen tegen Joannes Prick, maar ook tegen Hubert Beaupain, de weduwe Labinon, Antoine Joskin, alsmede "censier" Simon Blavier, goed en benoemd voorspreker Droixhe als advocaat van de gemeenschap. De burgemeesters Bartholomé Mornard en Gérard Nizet krijgen de opdracht toe te zien op een juist verloop van deze zaak. Getuigen bij deze beslissing zijn Servais Mission en Jean Debois. Zij die niet kunnen schrijven, zetten een kruisje naast hun naam, waaronder ook Lambert Balhan.
Op 25-9-1750 is, in Fléron, Gabriel Balhan, peetoom bij de doop van Michel Gabriel, zn. van Henri Colson en Jeanne Lambinon. Peettante is Marie Joseph Fraipont.
1751 Op 21-6-1751, gehoor gevend aan een oproep van Lambert Balhan, komen de burgemeesters van Fléron en Moulin, van Retinne, van Troîschênes, van Magnée en van Beyne om 18.00 uur samen in de pastorie van Fléron, alwaar zij tot 19.30 uur wachten op de burgemeester van Queue-du-Bois, om zich aan te sluiten bij de overeenkomst met de erfgenamen van wijlen pastoor Dubois over de toewijzingen, die de laatsten beloven uit te voeren.
1752 Op 12-3-1752 ontvangen de burgemeesters Henri Mornard en François Leclercq namens ongeveer 210 huishoudens van de gemeenschappen van Fléron en Moulin, de bevoegdheid om in het proces, gevoerd voor de burgerraad tegen de weduwe Pierre Lambinon en bij gelegenheid Joannes Prick een schikking te treffen. Dit gebeurt op een vergadering, die op de Wérixhas van Fléron wordt gehouden en waar naast Lambert Balhan nog vele dorpelingen aanwezig zijn.
Op zaterdag 17-6-1752 worden in het huis van de weduwe Michel Truillet in Fléron de rekeningen en administratie van de burgemeesters Henri Mornard en François Leclercq gecontroleerd door o.a. Lambert Balhan. Men is hier op 11-6-1752 voor uitgenodigd middels een convocatie, voorgelezen door de pastoor van Fléron, Pascal Moulon. De 12 belastingen (tailles), toegewezen op 20-5-1751 om de kosten van een proces te dragen vanwege het ongemak van zijn broer Bartholomé Mornard , worden door burgemeester Mornard verzameld en vormen samen met een renteopbrengst van 120 florijnen uit Bois-de-Breux, verzameld door de priester Jean Nizet, een inkomstenpost van 443 florijnen en 19 patars. De uitgaven van de burgemeester Henri Mornard bedragen 724 florijnen, 14 patars en 3 liards, zodat samen met nog een 13 florijnen voor zijn rechten de belastingen te innen, de gemeenschap hem een bedrag van 293 florijnen, 15 patars en 3 liards verschuldigd is. Onder aftrek van 108 florijnen, ontvangen door kannunik Wérin, wordt dit bedrag 185 florijnen, 15 patars en 3 liards. Henri Mornard overlegt tevens een lijst van personen, die de belasting nog niet hebben betaald, een bedrag van 46 florijnen en 12 patars. Burgemeester François Leclercq ontvangt 15 florijnen en 10½ patars aan vacatiegelden. Na goedkeuring van zijn rekeningen worden door de aanwezigen, waaronder Lambert Balhan, burgemeesters Henri Mornard en Gilles Etienne voor nog een jaar gekozen, waarbij zij de bevoegdheid krijgen de benodigde belastingen (tailles) te innen onder dezelfde voorwaarden als op 20-5-1751.
Op 6-8-1752 worden Grégoire Fassotte, Jean Gathoie, Bastin Collinet, Jacques Truillet, Adam Spirlet, Gilles Remouchamps, Ernest Noirfalise, Thomas Albert, André Le Charlier, Piron Georis namens de weduwe Jean Georis, Pierre Chèvremont en Arnold Defays, daags tevoren door Thomas Balhan ontboden bij de burgemeester, en krijgen burgemeester Gabriel Cambresier en voormalige burgemeesters Bastin Collinet, Grégoire Fassotte en Jean Gathoie opdracht om de verantwoordelijken van de gemeenschap Fléron te ontmoeten, teneinde op nauwkeurige en definitieve wijze de grenzen van de twee gemeenschappen te bepalen en te bepalen om over te gaan tot een exacte (volks)telling van de goederen behorende tot de gemeenschap. Zij dienen tot een plan te komen voor een nieuwe pied de tailles overeenkomstig de waarde van deze goederen en zodoende iedere onenigheid te vermijden. Als een twist zich mocht voordoen bij de waardering van bepaalde goederen, dan zal dit geschil worden beslist door een scheidsrechterlijke uitspraak van de deskundigen.
1753 Op 4-3-1753 is, in Olne, Marie Petit, echtgenote van Léonard Balhan, peettante bij de doop van Jeanne, dr. van André Colson en Anne-Marie Pétry. Peetoom is Sébastien Bastin.
1754 Omstreeks 12-2-1754 wordt een onrechtmatige toeëigening van gemeenschapsgeld door een stichting, die verbetering, voltooiing en versiering van de kapel in Queue-du-Bois nastreeft, opgeeist van eigenaren van woningen en vermogenden. Als, heel democratisch, meerdere malen en met luide stem, de notaris aan de aanwezigen vraagt of zij allen akkoord gaan, staan drie personen op om zich te verzetten en hun handtekening te weigeren. In de eerste plaats, Jean Gérard, uit naam van zijn burgemeester, eigenaar van een huis, vervolgens Lambert Mairlot, eigenaar van een vijfde deel van een huis, maar bewerend ook namens de anderen te spreken, en tenslotte, en naar het schijnt, meegesleept door het voorbeeld van de andere twee, Arnold Balhan, uit naam van zijn personeel en medebelanghebbenden, eigenaren van een huis.
Ernotte Balhan is op 19-2-1754 bij een actie aanwezig, die inwoners van het gehucht en dorp Waoury voeren tegen de bouw van een kapel in het centrum van Queue-du-Bois, halverwege de kerk van Fléron en de kapel van Lièry. Allen verzamelen zich, van huis tot huis, in de woning van Gilles Debouny, alwaar zij overeenkomen dat niemand zijn/haar onrechtmatig toegeëigende deel van de rente voor de bouw en steun van de kapel in Queue-du-Bois zal betalen, omdat geen van allen hier enige belangstelling voor heeft. Een en ander wordt door notaris Grégoire Harzé in een officiële akte vastgelegd, welke op 8-3-1754 aan de pastoor van Fléron door een zekere Delvaux wordt overhandigd.
Op 28-7-1754 vindt, daags tevoren door Thomas Balhan belegd, een nieuwe vergadering plaats in de schuur van de burgemeester. Aanwezig zijn Jean de Labye, Grégoire Fassotte, Jacques Truillet, Adam Spirlet, Nicolas Lempereur, Denis Albert, Jean Albert, Piron Georis, Jean Gathoie, Gilles Remouchamps, Ernest Noirfalise, Nicolas Léonard, Jean Remouchamps, Thomas Balhan, Pierre Sacré, Henri Hanquet, Michel Degueldre, Jacques Préalle, Jean Hallet, Pierre Chèvremont, Louis Lambinon, de weduwe Jean Gérard en de weduwe Jean Collard. Zij stemmen in tegenwoordigheid van de "particuliere raad" toe tot de actie van hun burgemeester tegen Grégoire Gilson en verklaren dat de beweringen van Gilson en zijn advocaten onjuist zijn en geven hun burgemeester Gabriel Cambresier en Adam Spirlet opdracht dit te presenteren voor de "particuliere raad" in tegenwoordigheid van raadsman baron Le Rosen en met hen te komen tot een minnelijke schikking en overeenkomst in deze zaak.
Op 6-11-1754 geven Jean Balhan en Pascal Balhan, beide wonende in Heusay, hun akkoord aan het voorstel van notaris G. Moray om, na het overlijden van de kerkmeester van Chênée, Pierre Antoine Chauveheid, priester Joseph Detroz voor te dragen voor de functie van kerkmeester.
1755 Op 9-3-1755 is in Fléron, Lambert Balhan peetoom bij de doop van Jean-Hubert, zn. van Toussain Lejear en Marie Jean Labeye. Peettante is Anne Lambinon.
1757 Op 13-5-1757 ovl. in Faweux tijdens de bevalling van haar dochter Elisabeth, Elisabeth Balhan, echtgenote van Lambert Julémont. De pastoor wordt te laat ontboden om haar de laatste sacrementen te geven.
1759 Op 14-1-1759 is in Fléron, Léonard Balhan peetoom bij de doop van Thomas Joseph, zn. van Thomas Crahay en Catherine Georis. Peettante is Marie Joseph Georis.

Vanaf 1760

1760 Op 4-2-1760 is in Chênée Arnold Balhan peetoom bij de doop van Hubert, zn. van Jean Leclercq en Marie-Anne Seret. Peettante is Marie-Jeanne Seret.
Op 15-8-1760 verklaart Antoine Mawet, eertijds collectant (ontvanger ?) van de gemeenschap van Fléron en Moulin, dat de weduwe van voorspreker Barthélemy Mornard, Jean Closset dit Jamain en anderen van het appartement Moulin, behorende tot de gemeenschap van Fléron en Moulin, maar vallend onder jurisdictie van Queue-du-Bois, weigeren hem de 30 belastingen (tailles), toegewezen op 25-3-1752, te betalen, onder voorwendsel van het feit dat zij zouden behoren tot de gemeenschap van Queue-du-Bois. Deze getuigenverklaring wordt in de pastorie van Fléron getkend in het bijzijn van de kapitein van Queue-du-Bois, Mathieu Falla en van Catherine Balhan.
1763 Op 24-10-1763 verkoopt Gabriel Balhan aan Nicolas Woos een huis, gelegen ten oosten van de gebaande weg naar Romsée.
1765 In 1765 trouwt Sarah Balhan in Winterton/East Somerton, Norfolk (GB) met James Roper.

Vanaf 1770

1771 Op 12-12-1771 begroten de meester timmermannen en metselaren van de stad Luik, André Serwir en Hendrick Dossin, alsmede Bartholomé Jacquet en Lambert de Labeye, huiseigenaren te Saive, op verzoek van Guillaume Balhan, koopman te Statte nabij Huy, de molen en de twee huizen elk omvattende twee stuks benedenverdiepingen en twee verdiepingen waarvan een voorzien van een leistenen dak, alsmede de bakkerij, de oven, drie stallen en een paardenstal die in goede staat verkeerd, en waarvan Balhan eigenaar is, op een waarde van 12000 Brabantse florijnen. Daarnaast schatten zij de waarde van de weilanden die hij in de omgeving bezit op 1750 Brabantse florijnen.
1772 Op 9-11-1772 doet burgemeester Adam Spirlet verslag van zijn rekeningen, waaronder 30 patards van een totaal van 124 florijnen en 10 patards voor de belasting op de verblijfplaatsen van o.a. Thomas Balhan, geheven 19-3-1771. Destijds werden de volgende bedragen geheven als "Bedrif" belasting: 30 patards per woning, 10 patards per paard, 5 patards per koe.
1 Florijn, 10 patards voor de woningen van o.a. Thomas Balhan in 1772 en 1773.
1773 Op 3-1-1773 stelt Guillaume Balhan, wonende te Statte nabij Huy, het priesterlijk erfdeel van zijn zoon Guillaume zeker, student in de theologie. Dit betreft zijn molen te Saive geschat op 12000 Brabantse florijnen alsmede 8 bonniers en 8 1/2 grote roeden land geschat op 14700 Brabantse florijnen, waarvan hij eigenaar is, door enerzijds het testament dat hij op 14-8-1766 voor de pastoor van Saive A.G. Hawotte met zijn echtgenote Catherine Xhénemont heeft opgesteld en die sinds die tijd is overleden, en anderzijds door de verdeling der bezittingen tussen de kinderen en schoonzonen Alexandre Xhénemont en Anne Mélen op 1-4-1745, ingeschreven op 4-10-1746 door de schepenen van Luik.
1775 Op 28-5-1775 tr. in Soiron Marie-Jeanne Balhan met Joseph Defossez. Uit dit huwelijk worden 8 kinderen geboren, waarvan er 7 worden gedoopt in Soiron en 1, Arnold, op 23-8-1786 wordt gedoopt in Fléron.
1777 Op 26-2-1777 is priester Guillaume Balhan, samen met Jean-François Moÿse, op de binnenplaats van kasteel Fayenbois, in de parochie Saint-Remacle-au-Pont, getuige bij een publieke verkoop bij opbod. Marguerite Chefneux, weduwe van Hubert Bony, verkoopt haar dieren, waaronder paarden, koeien, schapen, ooien en haar huisraad, waaronder verschillende meubels. De verkoopsom bedraagt 844 florijnen en 13 patars.
Op 15-5-1777 is Anne-Marie Balhan samen met Bauduin Spiroux in Fléron getuige bij het huwelijk van Lambert Spiroux, zn van Lambert Spiroux en Marie Sculfort en Jeanne Bailly, weduwe van Bauduin Colson.
1778 Op 14-3-1778 is, in Fléron, Catherine Balhan, peettante bij de doop van Pierre Joseph, zn. van Henri Colson en Marie Joseph Pianne. Peetoom is Michel Colson.
Op zondag 5-4-1778 publiceert pastoor Pascal Moulan een oproep. Op dinsdag 21-4-1778 om 13 uur zal Denis Gérard verantwoording afleggen over zijn rekeningen en inningen van belastingen (tailles) als burgemeester. Dit zal in het bijzijn van Guillaume Rodberg en Catherine Balhan plaatsvinden in zijn huis in Pansery.
Catherine Sartorius, weduwe van Jean Denis François Dumoulin geeft haar neef, advocaat Louis Sartorius actie te ondernemen tegen de kinderen en schoonzonen van Guillaume Balhan, te weten zijn zoon Guillaume Balhan, priester, zijn dochter Anne Balhan, echtgenote van Guillaume Dernier en gevolg, voor nalatigheid van het betalen van een rente van 90 Brabantse florijnen. Het recht op beslaglegging van hun bezittingen, aldus verkregen voor de schepenen van Luik wordt op 5-9-1778 door voorspreker Jean Dosin afgekocht.
Op 6-9-1778 kondigt de pastoor van Saive tegen Guillaume Dernier de publiekelijke verkoop aan van de molen, het huis en overige bezittingen gelegen in Saive nabij Bellaire.
Op 7-9-1778 verkoopt voorspreker Jean Dossin, voor de schepenen van Luik en de schout van Mélen, publiekelijk en tegen een prijs van 450 Brabantse florijnen per jaar de huur van de molen, huizen en 6 bonniers weiland voorheen in het bezit van wijlen Guillaume Balhan en aansluitend zijn schoonzoon Guillaume Dernier, door de laatste persoon niet aanvaard.
Daarop wordt op 7-9-1778 door voorspreker Jean Dossin in zijn huis, gelegen "Rue de L'agneau" in de parochie van Marie Madeleine te Luik, en in het bijzijn van de schepen van Parfondvaux, Jean François Moyse, verhuurd aan Pierre François Defourny, zijn molen, huizen en 6 bonniers land gelegen te Saive tegen de prijs van 630 Brabantse florijnen per jaar. Voor zichzelf behoudt hij zijn huis met leistenen dak, de kleine tuin en het aangrenzende bos alsmede het recht voor zichzelf, zijn echtgenote, zijn kinderen en knechten, om vrije de grote poort in- en uit te gaan.

Vanaf 1780

1780 Henri Noël Fagard, ged. Fléron 16-8-1758, zn. van Guillaume Fagard en Marie Beaujean, tr. Fléron 15-5-1780 in het bijzijn van Jean Balhan en Marie Balhan met Catherine Devillers. Zij kregen minstens vijf kinderen. Een Jean Balhan was op 27-4-1788 in Fléron peetoom bij de doop van Marie Joseph. Peettante hierbij is Marie Dumont.
1781 Op 24-2-1781 is, in Fléron, Lambert Balhan, peetoom bij de doop van Thérèse Joseph, dr. van Henri Colson en Marie Joseph Pianne. Peettante is Héluy Colson.
De inning van de belastingen (tailles) worden op 27-8-1781 onder dezelfde voorwaarden als op 14-12-1757 gepresenteerd en opnieuw toegewezen aan Jourdan Leclercq, in het bijzijn van Guillaume Balhan, priester en van Jacques Dossin, getuigen.
1782 In ca. 1782, 1783 is Guillaume Balhan, eerwaarde pater, samen met Mathias Hubert Terwagne, ontvanger van de stad Luik, in Basse-Fraipont, getuige bij .........
Op 26-5-1782 is Guillaume Balhan, priester, getuige bij ondertekening van een akte, waarin Marie Elisabeth Rossius, weduwe van Jean Joiris, koopman van Luik, aan Servais Woos de Bouny toestemming geeft een schacht te graven in de weide van Soxhluse, die zij verhuurt aan Catherine Rimsée. Zij doet dit op voorwaarde dat een jaarlijkse vergoeding van 5 Brabantse florijnen wordt betaald voor de grote schacht en voor de totale omheining, aangebracht om dieren te beletten naderbij te komen.
1785 De kiezerslijst van de verkiezingen van 1785 is niet alleen interessant om een beeld te krijgen van het aantal gezinshoofden, maar geeft ook informatie over verwanten. In de gemeenschap Fléron, met uitzondering van L’escadre van Moulin, zijn 150 stemmen uitgebracht ten gunste van Lambert Joseph Grailet, waaronder die van Lambert Balhan, Geniton Balhan en Jacques Balhan. 25 stemmen, waaronder die van Bauduin Balhan en Marie Balhan, zijn uitgebracht ten gunste van Jean Lambert Fagard. In de gemeenschap Magnée zijn 55 stemmen uitgebracht ten gunste van Lambert Joseph Grailet, waaronder die van de zoon van wed. Balhan. In de gemeenschap Beyne, waar Jean Lambert Fagard kapelaan is, zijn 12 stemmen, waaronder die van Arnold Balhan, uitgebracht ten gunste van Lambert Joseph Grailet.
1786 De parochie van Soumagne bestond niet alleen uit de gemeenschap Soumagne, maar ook voor een groot deel uit de gemeenschappen Ayeneux en Micheroux-Pansery.
Na het aftreden van Michel François Nivar, kerkmeester van Soumagne, op 30-10-1786, vindt op 21 en 22 mei 1787 verkiezing plaats van een nieuwe kerkmeester. Dit nadat eerdere verkiezingen, om induidelijke redenen, op 31-10-1786 is afgebroken. Inschrijving van de stemmen gebeurt door notaris A. Mélen. Er zijn slechts twee kandidaten, de schepen van Soumagne Jurdan en Jean-François Bonjean, kapelaan van Magnée en kandidaat bij de verkiezing als kerkmeester van Fléron in 1786.
De laatste is duidelijk favoriet in Soumagne, gezien de hoeveelheid stemmen, die hij krijgt. Op 31-10-1786 krijgt Jurdan slechts 3 stemmen, Jean-François krijgt er minstens 21.
Op 21-5-1787 krijgt Jurdan 6 en Bonjean minstens 100 stemmen, waaronder ook die van Laurent Balhan. Op 22-5-1787 verkrijgt notaris A. Mélen nog alleen stemmen ten gunste van Bonjean.
1787 Op 3-9-1787 maakt burgemeester Pierre Joseph Massart zijn rekening op in zijn huis en in het bijzijn van getuigen Gilles Joseph Barbière en Toussaint Saive. De rekeningen, afgesloten met een batig saldo van 83 florijnen en 18 patars, worden door Jean Nizet, Jean-Pierre Leclercq en Lambert Balhan, namens de gemeenschap goedgekeurd.
1788 Op 23-8-1788 is, in Fléron, Dieudonnée Balhan peettante bij de doop van Jean, zn. van Jean Bouxhy en Marie Joseph Sounié (?). Peetoom is Jean Joseph Mahy.
1789 Op 4-10-1789, in de pastorie van Magnée, en in het bijzijn van kapelaan Jean-Pierre Noël, geeft Simon Joseph Troisfontaines, woonachtig in het kasteel van Micheroux, 7 kronen aan Jeanne, weduwe van Thomas Balhan, woonachtig in Magnée, om de kosten op zich te nemen van het kind, dat hij heeft gegeven aan zijn dochter Marie-Jeanne Balhan op 17-9-1789.
In vroeger tijde werden huwelijken altijd voltrokken wanneer men in verwachting was van het eerste kind. In bepaalde gevallen weigerde de vader echter zijn verantwoordelijkheden te nemen. In het "Ancien Regime" had de moeder toen de mogelijkheid zich te verzetten tegen het huwelijk van de vader van haar kind met een ander (zie ook CHF-1/97, blz. 54...67). Soms bleef de vader echter onbekend of werd hij lasterlijk aangeklaagd. De bovenvermelde situatie geeft een idee hoe door de geboorte van een onwettig of onecht kind gehandeld werd.

Vanaf 1790

1790 De gemeenschappen Retinne en Troischênes, behalve de buitenwijken, worden op 23-5-1790, tijdens de afkondiging van de preek bij de missen in de kerk van Fléron en de kapel van Lièry en op 26-5-1790 door sergeant Jean Carabin bijeengeroepen. Zij komen op 27-5-1790 samen op de markt van Surfossé en het is priester François Grailet, die, o.a. door Lambert Balhan als kiezer wordt gekozen op de verkiezingen van 13-6-1790 aan de poort van Croupet.
1791 In 1791 wordt bij de inning van de belastingen (tienden) "La Circuite des Perieres", aangeboden voor 10 mud, voor de prijs van 17½ mud graan aan Jacques Balhan toegekend. In 1792, toen aangeboden voor 12 mud, aan Jacques Joyeux voor 18 mud en in 1793, aangeboden voor 8 mud, aan Jacques Joyeux voor 13 mud. Bij een andere inning uit 1791 wordt "La Circuite des Perieres", aangeboden voor 4 mud, voor de prijs van 8½ mud aan Jacques Balhan toegekend. Bij een andere inning uit 1792, toen aangeboden voor 3 mud, aan Jacques Joyeux voor de prijs van 6 mud en in 1793 aan Antoine de Saive en Melchior Truillet voor de prijs van 8 mud per jaar.
1792 Anne Balhan, ovl. 1792 tr. Guillaume Dernier
Laurent Balhan wordt in een document van 27-11-1792 genoemd, dat in 1944 grotendeels is verbrand. Hierin staat dat Laurent Balhan 2 kadavers begraaft, die hij op straat heeft gevonden.


     

© 1998 R.Balhan | Google Analytics | Onderhevig aan wijzigingen (laatst bijgewerkt 15 december 2011)